DE WERELD VAN HET GEZIN
GOOIJER 1839 - 1935.
_____________________________________________________
HET GEZIN VAN WILLEM EN MIE
Willem de Gooijer trouwde op 09.05.1838 te Blaricum met Maria (Mietje) Vos
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats doop te parent.
1. Cornelis Cornelis 1839 Blaricum Blaricum VIIc
2. Gijsbertje 27.10.1840 Blaricum Blaricum
3. Joanna Jannetje Blaricum Blaricum VIId
4. Hendrikus Hein Blaricum Blaricum VIIe
5. Jacobus Jaap Blaricim Blaricum VIIf
6. Lambertus Lambert Blaricum Blaricum VIIg
7. Petrus Pieter Huizen, Crailo Blaricum VIIh
8. Joannes Jan Huizen, Crailo Blaricum VIIi
9. Gerardus Gerrit Huizen, Crailo Blaricum
10. Aleidis Aaltje Naarden Naarden VIIj
JEUGD EN VRIJGEZELLENTIJD
De kinderen van Willem de Gooijer en Mietje Vos werden op verschillende
plaatsen geboren. De oudsten, Cornelis, Gijsbertje, Joanna, Hendrikus,
Jacobus en Lambertus, in Blaricum.
Daarna de drie zonen Petrus, Joannes en Gerardus op Crailo, waar vader
Willem pachter was. De jongste Aaltje werd geboren in Naarden. Bijna alle
kinderen werden gedoopt in Blaricum, alleen dochter Aaltje in Naarden. In
het volgende verhaal gaat het hoofdzakelijk over de gebroeders en hun zus
Aaltje.
Nadat het pachtcontract van 6 jaar was afgelopen, verhuisde vader Willem
met zijn gezin op 30 april 1857 naar Naarden. Willem huurde de boerderij
Bussummerstr. 158 en 159 van Dankelschijn. Volgens het kadaster G 242 en
G 243. [Huidige nummers 44 en 44a] Het bijbehorende erf en moestuin, volgens
G 217 en groot 4,2 are, liep door naar de St. Vitusstraat.
Over het contact tussen vader Willem en de kinderen is weinig bekend. Wel is
het volgende verhaal overgeleverd:
Willem zou niet erg oranjegezind zijn geweest, een logisch gevolg van enkele
eeuwen achterstelling van katholieken. In de periode dat Willem zich in
Naarden vestigde was de spanning tussen protestanten en katholieken weer
toegenomen. Bij veel protestanten ontstond, met steun van koning Willem
III, een nieuwe golf van antipapisme. [Als gevolg van het in 1853 opnieuw
instellen van R.K. bisdommen, voor het eerst sinds de 80-jarige oorlog.]
Omstreeks 1870, op een 'oranje' feestdag, werd in Naarden druk gevlagd.
Onder de Naardens waren fanatieke oranjeklanten. Personen die geen vlag
uitstaken sleurden zij uit hun huizen om ze af te ranselen. Willem zou als
dreigement een mes in de tafel gestoken hebben waarbij hij zei: "Als
een geus mij aanraakt, dan krijgt hij hiermee te doen". Daarop sloop
zoon Jan naar buiten en schilderde 'ORANJE BOVEN' op de luiken. (1) [Wat
zou hiervan waar zijn ? Zeker is dat de generatie van Willems kinderen en
kleinkinderen, altijd vurige oranjeklanten zijn geweest.]
UITWONEND DIENSTVERBAND
Naast de overgeleverde verhalen, zijn er schriftelijke bronnen over de
zonen en dochters van Willem en Mietje. Uit het bevolkingsregister van
Naarden blijkt, dat de meisjes elders als dienstmeisjes hebben gewerkt. De
zonen hebben in hun jonge jaren vaak als inwonende boerenknecht buiten het
Gooi gewerkt. Op welke jonge leeftijd zij elders ging werken is [nog] niet
uitgezocht. Een arbeidscontract duurde meestal een jaar en van begin mei
tot eind april. Enkele noties uit het register van Naarden:
naam vertrek uit nieuwe gemeente terug in vorige gemeente
Naarden Naarden
Cornelis
Jannetje 26.04.1865 Weesperkarspel
Hendrik 22.04.1862 Blaricum
Jacob 05.01.1869 Muiden
Lambert 15.04.1868 Muiden 03.02.1869 Muiden
Pieter 06.01.1867? Weesperkarspel 21.05.1868 Weesperekarspel
Jan 03.01.1871 Weesperkarspel
24.12.1872 Muiden 01.03.1876 Muiden
07.01.1878 Muiderberg Gem. M. 15.03.1879 Muiden
Zo vermeldt het bevolkingsregister de terugkeer van zoon Jan in Naarden op
3 januari 1871. Hij is dan bijna 19 jaar en had een jaar of langer in
Weesperkarspel gewerkt. Er is slechts één anekdote bekend over Jan's
verblijf bij een van zijn bazen:
Jan werkte en was in de kost bij een papenhater. Het was daar geen vetpot
en vlees kwam daar weinig op tafel. Uit pesterij kreeg Jan juist op vrijdag
vlees, terwijl dit een verplichte vleesloze dag was voor Roomskatholieken.
Bovendien kreeg hij bij deze zuinige boer weinig te eten. De boerin kookte
voor het personeel voor meerdere dagen tegelijk een grote pan rijst en daar
werd dagelijks uitgegeten. Vaak was de bovenlaag al bedorven, in dat geval
schepte de boerin gewoon die laag er af en kreeg ieder een portie. (2) [Veel
rijke burgers en boeren aten niet samen met het personeel.]
Jan bleef vervolgens van jaunari 1871 tot 24 december 1872 in Naarden.
Volgens de overlevering zou hij meegewerkt hebben aan de verbetering van de
vestingwerken in zijn woonplaats, mogelijk in deze tussenliggende periode.
[In het hoofdstuk 'Militaire activiteiten in Naarden' staat meer hierover]
De dag voor Kerstmis 1872 werd het vertrek van Jan naar Muiden ingeschreven.
Waarschijnlijk bleef hij daar werken tot zijn terugkeer naar Naarden op 1
maart 1876. In Muiden werkte hij dus ca. 3 jaar bij een of meerdere boeren.
Daarna duurde het 2 jaar voor Jan weer vertrok. Mogelijk was hij die jaren
thuis op de boerderij nodig. Zijn vader overleed namelijk 13 december 1877
en was de voorafgaande periode misschien wel ziek. Moeder Mietje moest dus
een beroep doen op één van haar zonen. Haar oudste zonen, Cornelis en
Hendrik, waren reeds getrouwd. Cornelis bezat al een boerderij, Hendrik
mogelijk ook. Het kan dus zijn, dat Jan en/of andere broers moeder's
bedrijf tijdelijk gerund hebben. Zoon Pieter bleef tot na moeder Mietjes
overlijden op de ouderlijke boerderij. Jan vertrok 7 januari 1878 naar
Muiderberg, waar hij verbleef tot 15 maart 1879.
Wanneer de gezinsleden thuis op de boerderij werkten, gingen zij met elkaar
in het weideseizoen koeien melken op de Naarder Meent. Vooral het
buitendijkse gebied was uitgestrekt en alle koeien van de Naarder erfgooiers
liepen door elkaar. Van jongs af aan waren de jongens, net als andere
boerenkinderen, meegegaan met de melkers om afgedwaalde koeien op te halen.
Zodoende werden veel contacten tussen de verschillende erfgooiersfamilies
gelegd. Het was dan ook geen wonder dat drie leden uit het gezin van Willem
de Gooijer verkering kregen met drie uit het gezin van Harmen Krijnen. Hein
koos Harmens dochter Cornelia, Jan dochter Klaasje en Aaltje zoon Lambert
Krijnen.
DE FAMILIE KRIJNEN
In een boerderij gelegen tussen de Wijde Marktstraat (thans Raadhuisstraat)
en de Gansoordstraat woonde het echtpaar Harmen Krijnen en Emmetje Dekker
met hun gezin. Hun oudste dochter Cornelia en zoon Lambert waren geboren in
hun boerderij in de Cattenhagestraat. Hun jongste dochter werd in het
voorhuis aan de Wijde Marktstraat op 11 augustus 1865 geboren en dezelfde
dag gedoopt. De pastoor schreef in het doopregister Clasina. Harmen had
echter aangifte gedaan van de geboorte van Klaasje, mogelijk vond
hij Clasina te deftig klinken.
_____________________________________________________________
Vader Harmen was erfgooier, stamde uit Bussum en had zich na zijn huwelijk
in 1849 in Naarden gevestigd. Zijn vee liep op de Naarder Meent en de
jongens en meisjes moesten al vroeg met de melkers mee. Daar en mogelijk in
de St. Vituskerk ontmoeten zij de Gooijers kinderen. Zo werden
verbindenissen voor het leven gesmeed.
DE SCHOOL
De oudste kinderen van Willem en Mie gingen naar school in Blaricum. Het
onderwijs moet daar redelijk goed zijn geweest, want Cornelis werd later
zelfs gemeenteraadslid. De jongere kinderen uit het gezin gingen in Naarden
naar school. Deze stond in de Schoolstraat, een gedeelte van de huidige
Pastoorstraat. Het schoolgebouw dateerde uit 1828 en verkeerde in
slechte staat, zelfs de muren waren gescheurd. Ruim 225 kinderen zaten
verdeeld in twee lokalen op banken, die 'amphitheatersgewijs' opliepen.
Voor de ramen waren geen gordijnen of zonnenschermen. Bij zonnig weer
werden de luiken gesloten. Dorst lessen moest bij de gemeentepomp op straat
en die was tevens speelplaats. Klaasje de Gooijer-Krijnen vertelde later,
dat de onderwijzer zijn baby meenam in de klas. Het kind stond in een mand.
Het onderwijs was ook hier redelijk. Klaasje kon tot op hoge leeftijd nog
goed rekenen en schrijven. Lokale geschiedenisles kreeg ze uit
overlevering. Haar grootouders vertelden hoe ze in Bussum te lijden hadden
gehad van de Franse bezetting van de vesting Naarden. Het Franse garnizoen
was van november 1813 tot mei 1814 ingesloten door Kozakken en het
Nederlandse leger. Af en toe deden de Fransen een uitval en gingen op roof
uit in Bussum. Grootvader Krijnen had een knecht waarvan zelfs de zilveren
knopen van diens broek werden gesneden.
VERTIER IN NAARDEN
In Naarden viel niet veel te beleven, maar als er iets te doen was dan werd
er gefeest. Zo was er de verjaardag van Willem III waarbij soms een optocht
werd gehouden. Andere hoogtepunten waren de jaarlijkse veemarkt en vooral
de Naarder kermis. Vader Harmen Krijnen had een speciaal kermispotje voor
zijn kinderen. Het geld was afkomstig van de huur die het 'overtuintje van
de Roeper' opbracht. Notaris de Roeper had het tuintje tegenover zijn woning
aan de overkant van de Gansoordstraat gehuurd. Hij had nu een mooi uitzicht
en voorkwam de mogelijkheid tegen een mesthoop aan te moesten kijken. Midden
in een perkje prijkte een beeldje.
Kroeglopers zijn 'de Gooijers' nooit geweest. Alleen met de Naarder kermis
en tijdens de koeienmarkt kwamen ze in de Doelen. Dit cafe was een van de
beste uit de vele cafe 's die in de Vesting waren. De meeste klanten
bestonden uit de dienstplichtigen van het garnizoen.
Naarden kreeg zelfs bezoek van een beroemd Amerikaans circus. De vreemde
dieren die in de optocht liepen had de Gooijer-jeugd nog nooit in
werkelijkheid gezien.
DE MILITAIRE DIENST
Koning Willem III had de Nederlandse jongens uit arme bevolking willen
opofferen voor zijn belangen. Bekend is, dat hij 'op zak liep' met een
oorlogsverklaring aan Pruisen. Voor of tijdens de Frans-Duitse oorlog was
dat het geval. Gegoede burgers hadden daar geen problemen mee. Werd een
rijkeluis zoontje goedgekeurd, dan was er nog geen man overboord. Men kocht
gewoon een remplacant voor f 210 tot f 400.- .(in 1830) In de
mitieregisters is het allemaal na te lezen. Eerst kwamen de 19-jarige
jongens op een lotingslijst. Deze lijsten waren onbedoeld een graadmeter
voor de slechte gezondheidstoestand van het merendeel van de bevolking. De
lengte van de leeftijdsgenoten liep van 1810 tot ca. 1880 achteruit. De
vereisde minimumlengte voor Grenadiers zakte van 1,72 naar 1,70 in 1830 en
tot 1,67 in 1866.
Op de lotingslijst werden de persoonlijke gegevens van de lotelingen
vermeld. Iedere in aanmerking komende mannelijke bewoner werd door het
gemeentebestuur op een 'Alphabetische lijst' gezet. Nadat deze was
goedgekeurd door de militiecommissaris, werd met de loting begonnen. Dit
gebeurde ook in Naarden. Cornelis de Gooijer had de twijfelachtige eer als
oudste van het gezin de spits af te bijten. In 1858 kreeg hij een oproep om
naar het stadhuis te komen. De officiele gebeurtenis daar werd geleid door
de militiecommissaris. Deze militair nam biljetten met de cijfers van het
aantal aanwezige jonge Naarders en zette daar zijn paraaf op. De loten
werden opgerold en in een glazen fles gedaan. In alfabetische volgorde
moest de loteling een lot trekken, daarna werd het nummer met luide stem
afgeroepen. Cornelis was de klos, hij had nummer 21 getrokken. Na de loting
werd van de jongelui de lengte en het signalement opgetekend. Reden tot
vrijstelling was: lengte kleiner dan 1,55 m, het hebben van gebreken, enig
wettig kind zijn, broederdienst ... enz. De dienstplicht voor de militie
gold van 18 tot 24 jaar. Gedurende die periode mocht niet getrouwd worden.
Dit kon aanleiding geven tot ongewenste situaties. Gelukkig trouwden 'de
Gooijers' meestal op een oudere leeftijd en bleven 'motjes' achterwegen.
Willems oudste zoon Cornelis was dus de eerste van het gezin, die ingeloot
werd. Hoewel voor vader Willem in 1829 een dure remplacant gekocht werd,
gebeurde dit nu niet. Waren de kosten te hoog, of had Cornelis geen bezwaar?
Hij werd 1859 ingedeeld bij het eerste regiment dragonders, een soort
paardenvolk. In 1860 verliet hij de dienst en in 1863 ging zijn 'groot
verlof' in. De overige broers werden vrijgesteld wegens broederdienst.
De signalementen van de gebroeders de Gooijer waren:
Lijst voornaam lengte neus aan- ogen kin wenk- mond voor- haar
meters gezicht brouw hoofd
--------------------------------------------------------------------------
1859 Cornelis 1,645 --- rond grijs --- ---- --- ---- ---
1864 Hendrik 1,642 --- rond grijs rond blond klein ---- blond
1867 Jacob 1,60 --- rond blauw ---- blond --- hoog ---
1869 Lambert 1,605 --- ---- --- ----- --- --- --- ----
1871 Pieter 1,624 --- ---- ---- ----- --- --- --- ---
1872 Jan
1874 Gerrit
NAARDENSE VESTINGWERKEN OP DE SCHOP
Het laatste kwart van de negentiende eeuw bracht grote veranderingen in het
Gooi. De aanleg van de Oosterspoorlijn Amersfoort - Amsterdam en de
Gooische Stoomtram ontsloten het Gooi. De autochtone bevolking raakte uit
hun isolement en de streek werd opengesteld voor hoofdzakelijk Amsterdamse
forenzen.
In deze periode werden ook de vestingwerken van Naarden aangepast aan de 'vooruitgang',
dat wil zeggen de 'moderne oorlogsvoering'. De verbetering was het gevolg
van de ontwikkeling van het geschut en granaten in de Frans-Duitse oorlog
van 1870. Het Duitse leger met dit nieuwe wapentuig vormde een bedreiging.
De vestingwallen werden verhoogd en men bouwde de bomvrije kazernes, Promers,
Oud Molen en Oranje. Op de bastions kwamen bomvrije gebouwen, die
alfabetisch van een letter werden voorzien. (Zo werden er enkelen op het
Bastion Turfpoort gebouwd, die bij de Naarders bekend staan als poterne
'X' en 'IJ'.)
Aan de Zuiderzeekust werd het Fort Ronduit aangelegd en rondom Naarden ook
vijf kleinere forten. Dezen kregen de namen van respectievelijk 'Werk no.
1', no. 2, no. 3, no. 4, no. 5. (tegenwoordig rest alleen nog 'Werk 4' in
Bussum.) Al het grondwerk aan wallen en forten gebeurde met het 'handje'.
Schop en kruiwagen waren de enige hulpmiddelen. Ook Jan Willemsz de Gooijer
had zich laten aanmonsteren voor de vestingbouw. Hij was nog vrijgezel en
kon nu in zijn ouderlijke boerderij aan de Bussummerstraat blijven wonen.
Gewoonlijk werkte hij elders als boerenknecht en woonde derhalve ver van
huis. Jan stond nu zij aan zij met potige polderjongens en kon het zware
werk nauwelijks aan. Om zijn rug te sparen droeg hij een speciaal hiervoor
gemaakt leren korset. Of andere broers dit werk ook deden is onbekend. Wel
kwam zijn oudste broer Cornelis in de problemen door de bouwactiviteit.
Zijn boerderij, gelegen in de Kooltjesbuurt op nummer 496, moest wijken
voor de nieuwe kazematten op bastion Oud Molen.
Nadat de werkzaamheden aan de verdedigingswerken waren voltooid, besloot de
legerleiding het weerstandsvermogen van de verbeterde Vesting Naarden te
beproeven. In 1885 werden daarom grote manoeuvres rondom Naarden gehouden,
waaraan 4000 militairen deelnamen. Het pas enkele jaren oude weekblad 'De
Gooi- en Eemlander' weidde aan deze manoeuvres ruime aandacht. In de
zaterdaguitgaven van 22, 29 augustus en 5, 12 september werden vele kolommen
volgeschreven over de voorbereiding en de uitvoering. Alles wat er gebeurde
werd door de Naardense bevolking, waaronder de familie De Gooijer, op de
voet gevolgd.
MILITAIRE VOORBEREIDING
De militairen werden gesplitst in een aanvallende en een verdedigende
partij. Ter onderscheiding droegen de aanvallers een witte band om hun chaco
(hoofddeksel). Een groot gedeelte van hen werd gelegerd in tenten op het
terrein van 'het Kamp van Laren'. 1) Naast de infanterie, bewapend met
geweren, was ook de veldartillerie aanwezig. Het veldgeschut was, tijdens de
voorbereiding eind augustus, vanuit de Vesting Naarden naar de aanvallers
gebracht. Bij het vervoer van oorlogsmaterieel werd gebruik gemaakt van de
Gooische Stoomtram en burgervoerlieden. Waarschijnlijk werden de
plaatselijke boeren, waaronder Jan de Gooijer, met hun paarden
ingeschakeld, zoals later bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
2)
Een deel van de verdedigers nam stelling in de forten 'Werk no. 1 t/m 5' en
in de 'Lunetten' aan de Karnemelksloot. Het overige deel, waaronder de
vestingartillerie, bleef in de Vesting Naarden achter. De toren van de Grote
Kerk werd voorzien van een handbediend optisch seintoestel, zoals in de
Napoleontische tijd in gebruik was. In de kazerne Oud Molen werd de genie
ondergebracht, bovendien was daar het hoofdkwartier van kolonel R.C. van
Onselen. De krant berichtte dat deze commandant aldaar de beschikking had
over een telegraafverbinding en dat er zelfs verschillende 'telephoonlijnen'
waren. Perfecte inlichtingen over de ligging van het zenuwcentrum van de
verdediging. Hiermee werd ook de Pruisische spionagedienst op een
presenteerblaadje bediend, want van die kant dreigde het werkelijke gevaar.
Zwaar geschut van de vestingartillerie werd op de hoofdwallen geplaatst. De
plaatselijke 'oorlogscorrespondent' berichtte: "Overal steken de kanonnen
dreigend hun koppen vooruit, terwijl sommige stalen vuurmonden niet minder
kwaadaardig achter de hooge wallen te wachten staan om zoodra de vijand zich
vertoont over de borstwering heen de zware projectielen weg te slingeren".
Overal waren schildwachten, die bij slecht weer in eenvoudig van stro
gebouwde schildwachthuisjes konden schuilen. Tevens werden van houten balken
onderkomers gebouwd die met zand werden afgedekt. Er werd van s'morgens
vroeg tot 's avonds laat aan gewerkt. De wallen werden op veel punten
verlicht door daar aangebrachte lantaarns. Ook aan de buitenwerken werd
gearbeid. Het fort 'Werk 4' op de heide tussen Bussum en Kamphoeve, werd
geheel door palisaden omringd. achter dit fort was een tentenkamp waar een
afdeling artillerie en genie verbleef. De grote loods ter plaatse werd
gedeeltelijk ingericht als paardenstal. Het andere gedeelte bevatte de
allernieuwste vinding op het gebied van de verdediging. Hier was een
machinekamer ingericht van het electrisch 'verlichtingstoestel'. Met deze
voorloper van de schijnwerper kon het voorterrein verlicht worden. Volgens
de correspondent: "Die nog veel beter dan de maan van dienst kon zijn voor
de verde-diger, daar het licht naar alle kanten kan worden gedraaid. De
vijand kan dat electrisch licht dan ook hoogst waarschijnlijk wel naar de
maan wenschen. De deskundigen beweren nu echter dat zoo'n lamp wel aardig
is en ook weleens in den oorlog dienst zal kunnen doen, doch dat men eerst
nog een middel moet vinden om haar onkwetsbaar en gedeeltelijk onzichtbaar
te ma-ken, daar zij nu den vijand niet alleen de juiste ligging van het fort
verraadt, maar ook door een goed gericht schot kan worden vernield".
De voorbereidingen werden zaterdagavond afgesloten. Zondag 30 augustus was
een rustdag en maandag was er een grote parade op de hei bij Bussum ter
gelegenheid van Prinsjesdag.
DE MANOEUVRES.
De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september en duurden met een
onderbreking op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om
drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de
verdedigers. Een ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander
was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisden de overgave, die
geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de
aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de vesting. Natuurlijk
trokken deze manoeuvres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders
vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken. Zelfs de toren werd door
nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan naar huis, omdat men niet
altijd wist waar 'slag geleverd werd'.
Vanaf woensdagmorgen 2 september schoot men vanaf de vestingwallen.
Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat
geadviseerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust,
dag en nacht klonk het gedonder. Natuurlijk hadden de soldaten het
moeilijker. Het eten was vaak slecht, hoewel de rantsoenen verhoogd waren.
Er was zelfs meer vlees dan anders beschikbaar. De soldij bleef minimaal en
bedroeg een dubbeltje per dag. Voor deze fooi waren ze dag en nacht in de
weer. 3) Op rustige nachten stond een kwart van de verdedigers op wacht en
een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op
het losse stro slapen.
De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakeerden in de open lucht en
deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en
loopgraven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Op
ongeveer 1000 pas van 'Werk 4' groeven zij een 400 meter lange loopgraaf met
een borstwering er voor. Daarin werden 'granaatvrije' dekkingen gemaakt en
batterijen gebouwd. Zieken waren er gelukkig niet veel. De
hospitaalsoldaten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het
leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewonden'.
Ondertussen werd op 'Werk 4' elke avond druk geëxperimenteerd met het 'verlichtingstoestel'.
Vele nieuwsgierige burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken.
Voor praktisch iedereen was dit het eerste contact met electrisch licht.
Bussum had gasverlichting tot in de het begin van de twintigste eeuw en
Naarden kreeg als eerste Gooise gemeente electrische verlichting in 1899.
Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met muziek. Deze vond
plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden
gehouden. Danks zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel
bekijks. De 'oorlogscorrespondent' eindigde zijn verslag met: "Ieder
keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen
even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen
keeren, te eer daar het weder in de laatste dagen hoogst ongunstig werd".
Ongetwijfeld was Jan de Gooijer en zijn broers onder de nieuwsgierigen,
want dergelijke belevenissen kwamen zelden voor in het stille Naarden.
1) Thans (1999) asielzoekerscentum Crailo.
2) In 1914 bracht Herman, de oudste zoon van Jan de Gooijer, met zijn vaders
paard kanonnen vanuit Naarden naar Utrecht.
3) Tot omstreeks 1900 vervulden rijkeluiszoontjes niet hun militaire
dienstplicht, een vroeg soort weiger-yups. Zij lieten zich vervangen door
een remplacant.
POORT- EN NACHTWACHTERS
In 1877 werd de oude Utrechtse Poort afgebroken om plaats te maken voor de
nog bestaande. De Amsterdamse Poort werd omstreeks 1682 gebouwd. Uit 1687
dateert een reglement voor de poortiers dat tot 1851 in stand bleef. De
poortier was verplicht nauwlettend toe te zien op alles wat de poort
binnenkwam. Ook moest hij 's morgens een kwartier voor het openen en 's
avonds een kwartier lang voor het sluiten van de poort de poortklok luiden.
Vooraf moest de poortier van de Amsterdamse Poort de bomen in het boomgat
buiten de poort en in de Pijp en onder de Zeebrug sluiten. De poortier van
de Utrechtse Poort behoefte alleen het boomgat bij de Oostdijk te sluiten.
De poorten werden in de zomermaanden om 3.30 en in de wintermaanden om 5.30
geopend. In de zomermaanden werden ze om 10 uur en in de wintermaanden om
17.00 uur gesloten. Een ieder die te voet, te paard of met een rijtuig kwam
moest een halve stuiver betalen. Wilde men binnenkomen uit de laatste
trekschuit na het sluiten van de bomen en de poort, dan betaalde men een
stuiver. Na 1851 was het verkeer door de poorten geheel vrij. Niet duidelijk
is of de poorten toen in de avond nog gesloten werden. Ook had Naarden een
nachtwacht. In de Gooi en Eemlander van april 1886 staat hierover het
volgende:
'De Gemeenteraad heeft in zijn jongste zitting het besluit genomen om de
nachtwacht voortaan geheel uit de stadskas te bezoldigen, waardoor nu het
jaren-oude gebruik vervalt dat de nachtwachts s'Maandags hun penningske
bij de burgers of beter gezegd: de burgeressen ophalen'.
Waarschijnlijk trad de nachtwacht ook op als 'porder'. De porder wekte 's
morgens in de vroegte op afspraak boeren en burgers.
STICHTING GEZIN
HET GEZIN VAN CORNELIS EN CORNELIA
Cornelis de Gooijer trouwde op 10.02.1870 in het stadhuis en in de St.
Vituskerk te Naarden met Cornelia de Jong. Zij overleed 17.08.1875.
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats doop te parent.
1. Maria 10.12.1870 Naarden, nr. 496 Naarden
2. Margaretha 01.04.1872 Naarden, nr. 496 Naarden
3. Wilhelmus Willem 05.09.1873 Naarden, nr. 495 Naarden VIII
4. Maria 23.01.1875 Naarden, nr. 126 Naarden VIIIe
HET GEZIN VAN CORNELIS EN WILHELMINA
Cornelis de Gooijer hertrouwde op 10.01.1876 in het gemeentehuis en
20.01.1876 in de St. Vituskerk te Naarden met Wilhelmina Dorresteijn.
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats doop te parent.
5. Maria 09.03.1877 Naarden, nr. 126 Naarden
VIII 6. Elbertus Wilhelmus 07.02.1879 Naarden, nr. 126 Naarden
VIIIf
7. Gerardus Gerrit 12.02.1881 Naarden, nr. 126 Naarden VIIIg
8. Joannes Jan 15.04.1883 Naarden, nr. 142 Naarden VIII
9. Petrus Pieter 01.07.1885 Naarden, nr. 142 Naarden VIII
10. Cornelia 10.12.1887 Naarden, nr. 142 Naarden VIII
11. Antonia Tonia 26.03.1890 Naarden, nr. 142 Naarden VIIIh
----------------------------
Cornelis de Gooijer werd 1839 geboren in Blaricum. Hij trouwde met Cornelia
de Jong, die geboren was op 30.03.1844. Zij was de dochter van de veehouder
Hermanus de Jong en Grietje Alebrink. Cornelia werd geboren in de
boerderij Nieuwe Haven 5. Cornelis en Cornelia gingen wonen in de
Kooltjesbuurt nr. 496. Hun eerste kind geboren op 10.12.1870 noemde zij
Maria. Zij werd vernoemd naar de moeder van Cornelis, die zelf als
doopgetuige optrad. Het kindje overleed al op 11.11.1872. Op 01.04.1872
werd hun tweede dochter geboren, haar tante Maria de Jong was doopgetuige.
Deze Margaretha overleed op 03.11.1876 op 4 jarige leeftijd. De
stamhouder Wilhelmus werd geboren 05.09.1873. Hij werd traditiegetrouw
genoemd naar de vader van Cornelis. Het bleek een gezonde jongen te zijn,
zoals later ter sprake komt. Zijn doopgetuige was Jannetje de Gooijer, een
zus van zijn vader. In 1873 werden de vestingwerken van Naarden versterkt.
Ook het bastion Oud Molen werd grondig aangepakt. Een gedeelte van de
Kooljesbuurt aldaar werd afgebroken om plaats te maken voor 'bomvrije'
kazematten. Het gezin verhuisde daarom naar het boerderijtje Gijgelstraat
126. (thans St. Vitusstraat) De achterzijde grensde aan het kerkpaadje, dat
rond de Grote Kerk liep. Cornelia beviel hier op 23.01.1875 van Maria. Als
doopgetuige trad op Aaltje de Gooijer, de jongste zus van Cornelis. Op 17
augustus van dat jaar overleed Cornelia. Ze werd begraven op het R.K.
kerkhof van Naarden.
Cornelis hertrouwde 10.01.1876 voor het gemeente huis te Bussum en
20.03.1876 in de St. Vituskerk te Naarden met Wilhelmina Dorresteijn. Zij
was geboren op 31.01.1848 te Bussum. Haar ouders waren de landbouwer
Egbertus Dorresteijn en Maria Huisman. Samen kregen zijn drie dochter en
vier zoons op het adres Gijgelstraat 126 (142).
Op 31 oktober 1896 kocht Cornelis voor f 2450.- de boerderij St. Vitusstaat.
Hij was actief in de plaatselijke en Gooise politiek en was raadslid van de
gemeente Naarden van 1903 tot 1909. Bovendien zat hij in het bestuur van de
door Floris Vos gestichte 'nieuwe partij' van de erfgooiers. Deze partij
stelde de wantoestanden binnen het instituut van 'Stad en Lande' aan de
kaak. Mede door acties van Cornelis en de zijnen, werd uiteindelijk de
erfgooierswet van 1912 aangenomen. Dankzij deze wet verbeterde niet alleen
de onderlinge verhoudingen, maar vooral de meentgronden. De
bedrijfsvoering van de kleine boeren werd verbeterd, totdat het gebrek aan
grond ten behoeve van de woningbouw het einde van de scharende erfgooiers
inluidde.
Een begrip in de familie was de zoon uit het eerste huwelijk 'Willem de
Matroos', die beroeps was bij de marine. Zijn zus Marie was getrouwd met
Thadeus Snoek die een boerderij bezat tussen de Turfpoortstraat en de St.
Annastraat.
Zoon Elbertus ging omstreeks 1905 met kapelaan Vergouw naar Slagharen.
Vergouw werd aldaar pastoor en Elbertus Koster. Hij trouwde in 1916 en liet
een uitgebreid geslacht na. Zijn broers kregen geen kleinzonen. De zoons Jan
en Piet werkten eerst op de boerderij van hun vader en trouden op oude
leeftijd. Jan bleef op de ouderlijke boerderij en Piet betrok een
boerderij in de Cattenhagestraat. Zoon Gerrit trouwde Dina Hartong en
kreeg twee dochter en een zoon. Gerrit pachtte het vuilnisophalen in Naarden,
dat gebeurde met zijn eigen wagen en paard. Hij was tevens doodgraver.
--------------------------
HET GEZIN VAN HEIN EN KEE
Hein de Gooijer trouwde mei 1877 met Kee Krijnen
Hendrik trouwde mei 1877 met Cornelia (Kee) Krijnen. Zij was de oudste
zuster van Klaasje de later echtgenote van broer Jan. Het echtpaar woonde
in een boerderij op de hoek van de Wijde Markstraat/Duivensteeg. Hij was
veehouder, meentbeambte en tevens stierhouder en stond bekend als 'Hein de
Bullenboer'. Zomers deed Hein met zijn stier de ronde op de Naarder Meent.
Hij kondigde zijn komst aan door op een grote ossenhoorn te blazen. In de
winter werden de koeien ter dekking naar zijn boerderij gebracht. Vaak moest
Hein daarbij de stier een 'handje' helpen. Dit laatste tot grote hilariteit
van de buurtjongens die, glurend tussen de kieren van de schutting, het
gebeuren nauwlettend volgden.
Het gezin bestond uit twee zoons en vijf dochters. Kee overleed in 1924 en
Hein in 1931. De vrijgezelle dochters Marie en Bertha, bleven op de
boerderij wonen en behielden daarom het schaarrecht. De melk van hun koeien
ventten zij zelf uit. De oudste zoon Willem betrok een boerderij op de
Keverdijk. De jongste zoon Herman werd hoofdopzichter bij de
erfgooiersvereniging 'Stad en Lande van Gooiland'.
HET GEZIN VAN JACOB EN MIETJE
Jocob de Gooijer trouwde mei 1878 te Naarden met Maria (Mietje) Bitterling.
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats parent.
1. Wilhelmus Willem 03.04.1879 Naarden, nr. 100 VIIIl
2. Woutera Maria Woutertje 04.07.1880 Naarden, nr. 109
3. Maria Marie 15.06.1881 Naarden, nr. 109
4. Joannes Wilhelmus Jan 22.02.1884 Huizen, Wijk E nr.
5. Joannes Wilhelmus Jan 09.03.1885 Huizen, Wijk E nr. VIII
6. Gerardus Wouterus Gerrit 07.11.1886 Naarden, nr. 118 VIII
7.
Woutera Maria Thera 18.11.1887 Naarden, nr. 118 VIII
8.
Johannes Wouterus Johan 18.11.1887 Naarden, nr. 118 VIII
9. Maria Woutera Marie 20.10.1889 Naarden, nr. 118 VIII
Jacob trouwde 22.05.1878 te Naarden met Marie Bitterling. Zij was afkomstig
uit Hoogland en daar geboren 20.04.1850. Vanwege haar karakter werd zij in
de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, waarvan
er drie als baby overleden. Zou het verdriet over haar gestorven baby's de
oorzaak van haar bittere houding zijn geweest?
Jacob en Mie betrokken eerst het pand St. Vitusstraat 100.
Hier werd de stamhouder Willem op 03.04.1879 geboren. Traditioneel werd
hij vernoemd naar de vader van Jacob.
Omstreeks 1883 verhuisden zij naar Huizen. Jacob was daar tolpachter tot
1886. Het gezin woonde in het (nog bestaande) tolhuis aan de Naarderstraat.
Iedereen die passeerde moest tol betalen, zowel voor personen, rijtuig of
vee. Ook de stoomtram van Bussum naar Huizen reed langs het tolhuis, ook
alle inzittenden moesten betalen. Op dit adres Wijk E nr. werden twee
zoons geboren. Eerst Joannes Wilhelmus op 22.02.1884, die als baby
overleed. Daarna weer een Joannes Wilhelmus op 09.03.1885. Huizen bezat
geen katholieke kerk, de weinige katholieken daar behoorden onder de
parochie van Blaricum. Beide kinderen werden dan ook dezelfde dag gedoopt
in Blaricum. De doopgetuige Jannetje Bitterling moest een lange reis
maken vanuit Hoogland. Waarschijnlijk eerst met de trein uit Amersfoort
tot Hilversum en vervolgens met de pas aangelegde stoomtram naar Blaricum.
Jacob was tevens opzichter bij een van de zandafgravingen in het Gooi. De
gravers werden 'Muizen' genoemd en daarom kreeg hij de bijnaam 'Muizenkoning'.
Zijn kroost noemde men dan ook de 'muizenkinderen'.
Rond 1886 verhuisde het gezin weer naar Naarden. Ze gingen wonen in de
boerderij St. Vitusstraat 118. De achtererf was bereikbaar via een steeg die
uitkwam in de Bussummerstraat.
In dit pand werd 07.11.1886 Gerrit geboren en op 18.11.1886 de tweeling
Thera en Johan. Marie werd geboren 20.10.1889.
De oudste zoon Willem had een verlamd been. Zoals toen gebruikelijk was
koos hij een zittend beroep en werd schoenmaker.
Zoon Jan werd in de jaren dertig meentbeambte en stierhouder ('bullenboer')
en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de
verschillende neven en ooms uit elkaar te houden.
Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder Amadeus.
De dochters Thera en Marie bleven vrijgezel. Marie heeft net als haar
nichten van oom Hein een tijdlang met melk gevent. Later werd ze naaister.
Thera trad als jong meisje in de huishouding bij boer Aalders in Bussum. Na
1945 werd ze huishoudster bij de weduwnaar Henk Hartong.
-------------------------
HET GEZIN VAN LAMBERT EN MIETJE
Lambert de Gooijer trouwde 1881 met Maria (Mietje) Schragen
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats parent.
1. Wilhelmus Willem 16.06.1882 Hilversum VIII
2. Gerardus Petrus Gerrit 10.09.1888 Amsterdam VIII
3. Reinier Rijk 02.02.1890 Amsterdam VIII
4. Maria Marie 30.03.1892 Naarden, nr. 562 VIII
5. Clementina Meintje 09.02.1894 Naarden, nr. 562 VIII
Lambert trouwde in 17.08.1881 met Maria (Mietje) Schragen, geboren
30.06.1850 te Weespercarspel als dochter van Schragen. Ze vestigden zich in
Hilversum waar de stamhouder Willem op 16.06.1882 werd geboren. Daarna
verhuisden zij naar Amsterdam waar twee zoons werden geboren. Gerrit op
10.09.1888 en Rijk op 02.02.1890. Hierna kwam het gezin terug in Naarden.
Lambert werd brugwachter en bediende de Gele draaibrug over de
Muidertrekvaart. Tegenover de brug stond de rijkswoning, die bij de (rijks)
brug hoorde. Op dit adres, Amsterdamsche Straatweg 562 werden de twee
jongste dochters geboren. Lambert overleed op 45-jarige leeftijd in 1896.
Zijn weduwe bleef achter met 5 jonge kinderen. Tot 1903 moest zij haar gezin
onderhouden als bruggewachtster.
Voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte zij ook de lokalen schoon
van de Openbare Lagere school. Zij ontving daarvoor 50 cent per lokaal en
per week. Alleen al het schoolgeld voor twee van haar jongste kinderen
kostte al 75 cent per week. Willem, de zoon van Lambert en Mietje, werkte
voor 1907 als melkknecht bij zijn oom Jan voor f 12.- in de week. (of dit
zijn enige bron van inkomsten was is niet bekend) Willem had een sympatiek
karakter. Het gezin van zijn oom Jan en tante Klaasje was zeer op hem
gesteld. Vooral bij zijn nichten was hij geliefd. De dochters van Klaasje
spraken gekscherend over ONZE Willem. Hierop zeiden zijn zusters Marie en
Meintje om strijd: "Nee het is ONZE Willem".
Alle gezinsleden van Lambert en Meintje bleven kinderloos.
---------------------
HET GEZIN VAN PIETER EN KEE
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats doop te parent.
1. Maria Cornelia 07.01.1903 Naarden, nr.
Pieter woonde tot aan zijn dood op de ouderlijke boerderij in de
Bussummerstraat. (thans ter plaatse van nr. 44 en 44a) Na het overlijden van
zijn vader woonde hij daar met zijn moeder Mietje tot zij in 1899 overleed.
Zijn nichtje Marie deed vanaf toen zijn huishouding. Zij was een dochter
uit het eerste huwelijk van broer Cornelis. De verstokte vrijgezel Pieter
trouwde op 48 jarige leeftijd met de 38 jarige Cornelia (Kee) de Zwart uit
Blaricum. In 1902 kocht Pieter de boerderij met de achterliggende moestuin
van Helena Dankelschijn. Mogelijk was het geld afkomstig van Cornelia, want
zij bezat bouwland in de Blaricummer Eng. In 1903 vergroot hij de boerderij
met een aanbouw op zijn erf. In dat jaar wordt dochtertje Maria Cornelia
geboren, zij overleed na 4 maanden. Pieter werd 54 jaar en overleed in 1905.
Na het overlijden van Pieter was Kee de enige erfgenaam. Zijn weduwe
hertrouwde met veehouder Schouten en bleef op de boerderij wonen.
----------------------------
HET GEZIN VAN JAN EN KLAASJE
Jan de Gooijer trouwde
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats doop te parent.
1. Maria Emma Marie Naarden, nr. 460 Naarden VIIIn
2. Emma Maria 11.07.1890 Naarden, nr. 460 Naarden
3. Hermanus Wilhelmus Naarden, nr. 460 Naarden VIIIo
4. Emma Maria 27.06.1894 Naarden, Naarden
5. Alida Cornelia 03.10.1896 Naarden, Naarden
6. Cornelia Johanna Naarden, nr. Naarden VIIIp
7. Wilhelmus Germanus 1900 Naarden, nr. Naarden VIIIq
8. Lambertus Johannes Naarden, nr. Naarden VIIIr
9. Johanna Hendrika Naarden, nr. Naarden VIIIs
10. Johannes Jacobus Naarden, nr. Naarden VIIIt
Jan trouwde 17 mei 1887 Klaasje Krijnen. Bruidegom Jan is 34 jaar en zijn
bruid 22 jaar. Zij vestigden zich in het pand hoek Regenboogstraat/Wuyvert
op nummer 460. Op dit adres werden de vier oudste kinderen geboren:
Maria Emma op 21 juni 1888, Emma Maria op 11 juli 1890, Hermanus Wilhelmus
op 20 januari 1892 en de tweede Emma Maria op 27 juni 1894. De op 11 juli
geboren Emma Maria leefde slechts een maand, zij overleed op 14 augustus
1890. Voor haar moeder Klaasje is deze slag zo zwaar, dat zij later nooit
haar eigen verjaardag vierde op de elfde augustus, maar steeds op de tiende.
Mogelijk werd de baby ziek op de verjaardag van Klaasje. [ Dit verhaal doet
wel de ronde, maar op het klopt ?]
Op woensdag 26 april 1893 schrokken de bewoners van de Wuyvert. Er brak
brand uit in het onbewoonde gedeelte van de gebroeders L. aldaar. De brand
sloeg over naar de aangrenzende wagenmakerij, die uitbrandde. Ook de
kruidenierswinkel van de gebroeders L. had brandschade. Gelukkig bleef het
pand van Jan en Klaasje gespaard, maar Jan ging toch op zoek naar een
grotere boerderij. Nogmaals werd de buurt opgeschrikt. Op donderdag 29 juni
1895 hoorden de mensen in de omgeving Pijlsteeg en Oosteindestraat een
oorverdovend geraas. Men dacht dat er een huis instortte. Aannemer Piet van
Wettum bleek bezig te zijn met het omtrekken van een half afgebroken pand
in de Korte Pijlsteeg. Na de sloop bouwde hij aldaar vier woningen. Hij had
een contract met het Ministerie van Oorlog afgesloten, waarbij hij deze
zogenaamde onderofficierswoningen voor een lange tijd aan militairen kon
verhuren.
-----------------------------
HET GEZIN VAN AALTJE EN LAMBERT
Aaltje de Gooijer geboren in 1857 trouwde 02.05.1881 te Naarden met Lambert
Krijnen, geboren 09.12.1855 te Naarden.
Doopnaam roepnaam geb.datum geb.plaats parent.
1. Emma Emma 12.08.1883 Naarden, nr. 126 VIII
2. Wilhelmus Hermanus 25.10.1884 Naarden, nr. 127
3. Wilhelmus Hermanus Willem 17.10.1885 Naarden, nr. 127 VIII
4. Hermanus Wilhelmus 07.02.1887 Naarden, nr. 127
5. Lambertus Gerardus Bep 10.05.1888 Naarden, nr. 127 VIII
6. Hermanus Wilhelmus Herman 11.10.1889 Naarden, nr. 127 VIII
7. Maria Marie 29.01.1891 Naarden, nr. 127 VIII
8. Gerardus Gerrit 21.04.1892 Naarden, nr. 127 VIII
9. Thimoteus Timo 09.12.1895 Naarden, nr. 127 VIII
10. Aleda Johanna Alie 09.12.1897 Naarden, nr. 127 VIII
11. Johannes Jacobus Jan 25.06.1899 Naarden, nr. 127
Aaltje de Gooijer geboren te Naarden, trouwde mei 1881 met Lambert Krijnen.
Zij betrokken de boerderij St. Vitusstr. 127. Later verhuisden ze en huurden
een boerderij in de Gansoordstraat. Het erf grensde aan de Raadhuisstraat
en was gelegen naast de Portugese Synagoge.
Lambert kreeg tijdens de hooibouw een ernstig ongeluk. Nadat de hooiwagen
was geladen, werd op het voer hooi een weesboom gelegd. Doormiddel van een
touw werd de paal op het hooi vastgesnoerd. Bij het gorren brak de paal met
veel geweld en Lambert kreeg deze op zijn hoofd. Hierdoor raakte hij zodanig
verlamd, dat hij zijn werk in de stal op zijn knieen moest doen. In 1899
overleed hij op 43 jarige leeftijd aan een hersentumor.
Lambert zou, naar men zei, angst gehad hebben om levend te worden begraven.
Hij wenstte daarom in de bovenste kist in het graf gelegd te worden. Er ging
in Naarden namelijk een verhaal over een man, die tijdens een epidemie was
gestorven en met spoed was begraven. In het graf kwam de schijndode man
weer tot leven, lag gelukkig in de bovenste kist en kon zich uit het graf
wurmen. Rond middernacht kwam hij thuis, kwam voor een gesloten deur en
wachtte op de stoep de morgen af.
De weduwe Aaltje zette het bedrijf voort met haar jonge zonen. In 1903 kocht
zij de boerderij voor f 3200.-. Het ongeluk bleef het gezin volgen. In 1904
brak brand uit in een winkel aan de Raadhuisstraat en die sloeg over op de
boerderij. Na de brand liet Aaltje een nieuwe boerderij bouwen, waarvan het
woonhuis (nr. 15) nog steeds bestaat. Lang heeft Aaltje er niet gewoond. Zij
kwam in 1917 te overlijden door een val van de keldertrap.
DE
BOERDERIJEN
De omgeving Gansoordstraat/Pijlsteeg ging erop vooruit en Jan de Gooijer
greep zijn kans. Jan verhuisde 1 mei 1896 naar de boerderij op de hoek
Gansoordstraat/Pijlsteeg. [Huidige Pijlstraat] Hij sloot een
huurcontract af met de rentenier G. Brouwer, dat zou eindigen op 30 april
1902. Brouwer bleef in het voorhuis wonen en Jan betaalde f 3.50 per week
voor de rest van de boerderij. Direct na het overlijden van G. Brouwer in
1898 kocht Jan het gehele perceel voor f 3500.-. [Klaasje overleed in 1956
en heeft daar dus 60 jaar gewoond]
Op het gerucht dat Brouwer of de voorgaande eigenaar Koeman op zijn doodsbed
"zoeken, zoeken" had gestameld, doorzocht Jan het huis in de hoop
een schat te vinden. Hij klopte tevergeefs op alle wanden. (4)
De 17e eeuwse boerderij bestond uit een voorhuis aan de Gansoordstraat [thans
nr. 31] en een achterhuis met schuur in de Pijlstraat. De totale lengte was
36 meter en de breedte 9,5 meter. Het voorhuis was afgesplitst van de rest
door eenvoudig enkele deuren dicht te timmeren. In dat gedeelte bleef
Gerrit Brouwer voorlopig wonen. [Jaren later hebben alle zonen van Klaasje
de eerste jaren van hun huwelijk in het voorhuis gewoond. Van al die
gezinnen zijn de oudste kleinkinderen daar geboren.]
Achter de voordeur in de Pijlstraat lag een lange gang die doorliep naar de
toegangsdeur van het erf. Bij binnenkomst lag direct links de deur naar de
ruime voorkamer. Deze kamer had een raam aan de straatzijde en was voorzien
van twee grote bedsteden en een kinder bedstede. Verder in de gang was links
de trap naar de zolder en daarachter de deur naar de kleine achterkamer. In
deze kamer, met uitzicht op het erf, werd hoofdzakelijk gehuisd. Hier was de
bedstede waar Klaasje als weduwe sliep. Rechts achter de gangmuur lag het
spoellokaal met daarin een houten pomp. Daarachter lag de lemen dorsvloer.
Van de straatzijde was deze bereikbaar via een dubbele hooischuurdeur.
Door deze hoge en brede deur en een van gelijke afmetingen aan het einde van
de schuur, werden in de hooitijd 50 voer hooi naar binnen gereden. Het
hooischuurgedeelte lag langs de straatzijde. De lange koeienstal lag
daarnaast aan de zijde van het erf. In deze stal was plaats voor 17 koeien.
De paardenstal lag achter de deel.
In de Gansoordstraat lag de inrit van het wagenpad naar het erf. Tussen het
pad en de achterkamer lag het bleekveld met enkele vruchtbomen. Tegen het
bleekveld en tegenover de achterdeur van het achterhuis stond een houten
schuurtje. Dit besond uit twee gescheiden delen, namelijk een keukentje en
een ouderwetse plee. Aan het eind van het wagenpad lag op het erf een open
wagenloods met daarachter een grote schuur, vooral bestemd voor jong vee.
_____________________________________________________________
Jan's broer 'Hein de Bullenboer' kocht zijn boerderij gelijktijdig en
eveneens van de erven Brouwer van de erven en betaalde f 1800.-.
HET LEVEN OP HET BOERENBEDRIJF
Het leven van de gebroeders de Gooijer was zoals van de andere meentboeren.
Zomers vroeg om half vijf op pad met paard en wagen of de hondenkar om te
gaan melken. Bij Jan stonden twee grote trekhonden ter beschikking. De
twaalfjarige zoon Wim deed in 1912 bij een feest mee in de optocht met de
hondenkar en werd daarmee vereeuwigd op een foto.
In het weideseizoen gingen 'de Gooijers' en hun zonen twee keer per dag naar
de Naarder Meent. Daar liepen enkele honderden koeien door elkaar. De
koeien voelden echter aan wanneer het melkenstijd was, uit zichzelf kwamen
ze naar de melkplek van iedere boer. Als een koe echter 'tuchtig' [paringsdrift]
was, ging ze zwerven. De Naarder Meent bestond nog uit een binnendijks en
een buitendijks gebied. Aan de Zuiderzee lag de buitendijkse gedeelte
bestaande uit de weiden ten westen (Voorste Haverland) en ten oosten (Achterste
Haverland) van Fort Ronduit. Het vee kon via de kade van het fort en de
ondiepe 'koeienzee' van het ene deel naar het andere lopen.
Als door een najaarsstorm 'de zee overkwam' in de het buitendijks gebied,
dan werd het vee op de meent achter de Westdijk in veilgheid gebracht.
De Gooijers namen, zoals de meeste boeren, zijn kinderen mee. De jongsten
hadden de taak om afgedwaalde koeien op te halen. Zij kenden hun eigen
dieren aan de tekening op de huid. In het najaar met duister en mistig weer
was het een hele opgave om een koe te vinden, vooral omdat er overal sloten
lagen met hier en daar een gladde plank.
Om zes uur of half zeven, terug van het land, werden eerst de melkbussen
afgeladen. Het paard of de honden werden uitgespannen en gevoederd. Thuis
was dan alles in rep en roer. De kinderen draafden door het huis. De oudsten
gingen nuchter naar de vroegmis. Om half zeven stond de pap voor vader
klaar.
Toen de gebroeders de Gooijer wat ouder waren en hulp hadden van hun zonen,
gingen ze daarna een tukje doen. Zij deden dat zittend in een stoel aan
tafel met zijn hoofd op zijn armen. Daarna werden de melkbussen, kannen en
emmers geboend. De melk werd direct rondgebracht naar de klanten in de
gehele vesting. Ook het Militair Hospitaal en de kazernes werden voorzien.
Om daar melk te mogen leveren moest een contract worden afgesloten. De
menagemeester kwam persoonlijk op de boerderij afrekenen. In de hoop dat
het contract verlengd werd kreeg hij na de betaling een fooi. Deze
steekpenning was ongeveer een rijksdaalder. Klaasje, de vrouw van Jan,
ging in de beginjaren heel vroeg naar de kazerne om melk naar de keuken te
brengen. Voordat ze daar was kwamen de soldaten al naar haar toe om hun
veldflessen te laten vullen. Zodoende had Klaasje dan, om zes uur in de
morgen, haar eerste handgeld al binnen.
De gebroeders waren ook 's winters in de weer met allerlei werkzaamheden in
en rond de boerderij. Daar behoorde ook het mestrijden bij in de winter.
Mogelijk verongelukte Jan bijna door een op hol geslagen paard, want in de
Gooi en Eemlander stond het volgende te lezen:
"Donderdagochtend 31 December 1897 kwart over elf sloeg het paard van De G.
op hol, deze eigenaar een eind meesleepende. Aan het einde van de
Oosteindestraat werd door het dier een hek omgeworpen en gebroken. Gelukkig
vielen er geen persoonlijke ongelukken voor. 'Gelukkig' mogen we wel zeggen,
want eenige minuten later was de straat vol van de Openbare School verlatene
kinderen".
[Als er een politierapport is uit die tijd, dan zal daarin wel de volledige
naam zijn vermeld.]
In de boerderij aan de Lange Pijlsteeg werden de jongste zes kinderen
geboren en wel:
Alida Cornelia op 3 oktober 1896, Cornelia Johanna op 16 september,
Wilhelmus Hermanus op 18 augustus 1900, Lambertus Johannes op 26 januari
1903, Johanna Hendrika op 18 augustus 1905 en Johannes Jacobus op 14
augustus 1909.
DE ERFGOOIERS IN DE KNEL.
Rond de eeuwisseling zijn er troebelen in het Gooi. Onenigheid en tweespalt
tussen de Gooise gemeentebesturen en de erfgooiers. Het gaat over de
bestuursvorm van Stad & Lande van Gooiland, het instituut van de
erfgooiers. De hoofdoorzaak is de bedreiging die uitgaat van het 'oude'
bestuur van Stad & Lande, dat bestaat uit de burgemeesters van de stad
Naarden en van de Gooise dorpen. Voor de aanleg van de Oosterspoorlijn door
het Gooi in juni 1874, kwamen de burgemeesters nog enigszins op voor de
belangen van de autochtone bevolking. Dat gold vooral de
dorpsburgemeesters, die vaak uit hun dorp stamden. Uiteraard omdat hun
belangen parallel liepen met die van de autochtone dorpsbevolking. Met de
komst van de spoorweg in het Gooi nam de rijke importbevolking toe. De
burgemeesters en notabelen zagen hierin een betere bron om hun zakken te
vullen. Ex-burgemeester van Huizen en Bussum, de 'heer' Langerhuyzen, was
hiervan een goed voorbeeld. Hij stichtte in 1902 een 'Maatschappij tot
exploitatie van bouwterreinen'. Als bestuurslid van Stad & Lande wist hij
een uitgestrekt terrein rond Crailo in handen te krijgen. Hierop volgde
machteloos verzet van een aantal erfgooiers. Maar 'Geld dat stom is, maakt
recht wat krom is'. De actievoerende erfgooiers werden voor het 'gerecht'
gedaagd en veroordeeld. Het verzet van de autochtone erfgooiers nam grotere
vormen aan toen er een wijziging kwam in het stelsel van de schaarmeesters.
Er ontstonden twee partijen, de zogenaamde 'Oude partij' en de 'Nieuwe
partij'. De nieuwe partij koos als voorzitter Floris Vos, die eigenaar was
van de modelboerderij Oud Bussem. Op de naastgelegen 17e eeuwse boerderij
rustte een dubbel schaarrecht. Hijzelf was afkomstig uit Utrecht, maar zijn
voorouders waren erfgooiers. In het bestuur van de nieuwe partij en tevens
in de gemeenteraad zat ook de oudste van de gebroeders Cornelis de Gooijer.
De twist in het Gooi laaide hoog op. Terwijl de leden van de oude partij
toegang tot de meenten kregen, werd dit aan die van de nieuwe partij
geweigerd. Tot die nieuwe partij behoorde ook Jan Willemsz de Gooijer. Vaag
herinnerde zich zijn zoon Herman als ca. elfjarige jongen te zijn meegegaan
in een roeiboot. De inzittenden hadden zich bewapend met stokken, waarin
spijkers waren geslagen. Deze gebeurtenissen speelden ca. 1903. In dezelfde
tijd vond in Zuid Afrika de Boerenoorlog plaats. Onder de Nederlandse
bevolking was veel sympathie voor deze zogenaamde Afrikaner boeren. Een
populaire liedje uit die tijd: "En de boeren hebben overwonnen, hiep, hiep,
hoera ....." Mogelijk droeg deze stemming bij in het verzet van de Gooise
boeren, waarbij het tot een harde konfrontatie kwam met de overheid:
In 'Malbak' (Blaricum) werd het meenthek bewaakt door rijksveldwachters.
Dit hek was gelegen in de zogenaamde koedijk die de meent van de Eng (bouwland)
afsloot. [prikkeldraad bestond nog niet] Het dijkje bestond uit
opgestapelde graszoden met daarlangs aan de meentzijde een greppel. Het was
nodig omdat in de hooggelegen meent aldaar, een droge scheisloot geen vee
tegenhield. Toen in 1903 een aantal boerenzonen een stukje verderop
bezig was een opening in de koedijk te graven, riep de Blaricumse
burgemeester de hulp in van militairen. De erfgooiers waren ongewapend en
boden geen verzet. Het 'gezag' trad echter op, zoals het toen steeds sociale
misstanden 'oploste' of 'bestreed'. Er volgde geen waarschuwingsschot in
de lucht. [Ook al beweerde de Gooi en Eemlander dit, zonder getuigen te
horen.] Er werd ook niet op de benen, maar gericht geschoten. Daarbij werd
een 22-jarige Laarder doodgeschoten. De jongen stond ter goede naam en faam
bekend. Dit was een duidelijke politieke MOORD ! De zaak werd nooit
uitgezocht. Een strafzaak tegen de commandant en de schietende militair
volgde niet. Mogelijk werd hij onderscheiden. De schuld lag uiteraard bij
de overheid.
Tenslotte matigde de toenmalige regering zich aan om de erfgooierskwestie
te regelen. Bij vroegere belangrijke beslissingen werden de erfgooiers
geraadpleegd en werd hoofdelijk gestemd. In 1912 kwam zonder inspraak de
erfgooierswet tot stand. Hiermee kreeg het eeuwenoude instituut 'Stad en
Lande van Gooiland' een moderne 'wettige' basis.
Van ouds her hadden de erfgooiers gemengde bedrijven. Het was zelfs zo, dat
het vee oorspronkelijk werd gehouden ten behoeve van de mest voor het
bouwland. De koeien stonden in zogenaamde potstallen op een dikke laag stro
en heideplaggen. Rondom de dorpen lagen de Engen waarop vooral rogge en
boekweit werd verbouwd. Voor de verbouw van boekweit was schapenmest het
beste. Daartoe hielden vooral de Laarders en Hilversummers schapen op de
heide. Beide dorpen hadden hiertoe de meeste rechten, omdat zij het verste
van de meentgronden gelegen waren. Wie veel schapen hield mocht geen koeien
weiden. Jan bezat zelf geen bouwland. Hij pachtte drie akkers, eerst van
schoonvader Harmen en na diens overlijden van zwager Tijmen. Dit bouwland
lag in de Bussummer Eng achter de herberg De Gooische Boer. Hij verbouwde
daar rogge, bieten en aardappelen. Er werd wisselbouw toegepast, pas om de
drie jaar weer hetzelfde gewas op dezelfde akker. De zandgrond was
onvruchtbaar en vroeg veel mest met heideplaggen, dat op het geploegde
land werd gestrooid. De plaggen voorkwamen het wegstuiven van de grond. De
voerbieten waren voor het eigen vee. De rogge ging naar de bakker voor
roggebrood. Ook ging roggemeel in de dagelijkse ochtendpap en in de
bloedworst die Klaasje maakte. De aardappelen van de Eng smaakten niet
lekker, toch kwamen er vaste klanten voor. Het gezin at zelf prima
aardappelen die zij verbouwden op de tuingrond van 'De Plak'.
In de jaren die volgden kwam steeds meer bouwland in handen van 'projectontwikkelaars'.
Het eeuwenoude patroon van het gemengde Gooise boerenbedrijf kwam in de
verdrukking. Vooral in Naarden voltrok zich dit proces al vroeg. Het
bouwland rond de vesting was reeds een eeuw lang in handen van
kapitaalkrachtige personen, zoals Van Rossum. Deze gronden werden afgezand
en omgevormd tot landgoederen, tuinderijen en boomkwekerijen. De Naarder
boeren konden zo goed als geen gewas meer verbouwen. Hun koeienmest leverden
ze noodgedwongen aan de kwekerijen, omdat zij zelf geen of weinig bouwland
meer bezaten. Ook op aan de meent kon niet geleverd worden, want daar paste
men al snel kunstmest toe. Het hoofdberoep van de boeren werd sindsdien
veehouder en melkboer.
ONDERLINGE FAMILIEBANDEN MET BROERS, ZUSTERS, NEVEN EN NICHTEN
Willem en Mietje waren met negen kinderen naar Naarden gekomen, alwaar nog
dochter Aaltje geboren werd. Het gezin bestond uit zeven jongens en drie
meisjes. Drie van Jan's broers stierven relatief jong.
Broer Gerrit overleed reeds op 20-jarige leeftijd in 1875.
Broer Jacob bezat een boerderij in de St. Vitusstraat. Hij was tevens
opzichter bij een van de zandafgravingen in het Gooi. De gravers werden 'Muizen'
genoemd en daarom kreeg Jacob de bijnaam 'Muizenkoning'. Zijn kroost noemde
men dan ook de 'muizenkinderen'. Zijn zoon Jan werd in de jaren dertig 'bullenboer'
en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de
verschillende neven en ooms uit elkaar te houden.
Jacob was getrouwd met Marie Bitterling. Vanwege haar karakter werd zij in
de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, warvan
er twee als baby overleden. Zij hadden twee vrijgezelle dochters Thera en
Marie. Net als hun nichten van oom Hein, hebben zij een tijdlang melk
gevent. De oudste zoon Willem, genoemd naar zijn grootvader, had een
verlamd been. Zoals toen gebruikelijk was koos hij een zittend beroep en
werd schoenmaker. Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder
Amadeus.
ONDERLINGE
BAND MET SCHOONFAMILIE
Jan had nog een schoonvader en drie zwagers 'Krijnen', die vestingboer
waren. Deze zwagers waren zonen van de schoonouders Harmen Krijnen en
Emmetje Dekker.
Zwager Jacob trouwde in mei 1877 met Johanna Hanou. Zij vestigden zich
eerst in de Regenboogstraat 403a. Later verhuisd