Free Web Hosting by Netfirms
Web Hosting by Netfirms | Free Domain Names by Netfirms

 

12/08/02

 Home
Geschiedenis
Erfgooiers
Koptienden
Kronieken
Verpondingen
Bestuur
Gerecht
Landkaarten
Overheid
boerderijen
Weilanden
Landbouw
Wevers en blekers
Stambomen
Beroemdheden
Kunstschilders
Gooijer verhalen.

 

 
Hit Counter
People have
visited my page!

 

             

DE WERELD VAN HET GEZIN                                  

GOOIJER 1839 - 1935.

___________________________________________________­__

 

HET GEZIN VAN WILLEM EN MIE

Willem de Gooijer trouwde op 09.05.1838 te Blaricum met Maria (Mietje) Vos

 

Doopnaam       roepnaam  geb.datum  geb.plaats           doop te   parent.

 1. Cornelis    Cornelis        1839 Blaricum            Blaricum   VIIc      2. Gijsbertje            27.10.1840 Blaricum            Blaricum             3. Joanna      Jannetje             Blaricum            Blaricum   VIId

 4. Hendrikus   Hein                 Blaricum            Blaricum   VIIe

 5. Jacobus     Jaap                 Blaricim            Blaricum   VIIf

 6. Lambertus   Lambert              Blaricum            Blaricum   VIIg

 7. Petrus      Pieter               Huizen, Crailo      Blaricum   VIIh

 8. Joannes     Jan                  Huizen, Crailo      Blaricum   VIIi

 9. Gerardus    Gerrit               Huizen, Crailo      Blaricum

10. Aleidis     Aaltje               Naarden             Naarden    VIIj

 

JEUGD EN VRIJGEZELLENTIJD

De kinderen van Willem de Gooijer en Mietje Vos werden op verschillende plaatsen geboren. De oudsten, Cornelis, Gijsber­tje, Joanna, Hendrikus, Jacobus en Lambertus,  in Blaricum.

Daarna de drie zonen Petrus, Joannes en Gerardus op Crailo, waar vader Willem pachter was. De jongste Aaltje werd geboren in Naarden. Bijna alle kinde­ren werden gedoopt in Blaricum, alleen dochter Aaltje in Naarden. In het volgende verhaal gaat het hoofdzake­lijk over de gebroe­ders en hun zus Aaltje.

 

Nadat het pacht­con­tract van 6 jaar was afgelopen, verhuisde vader Willem met zijn gezin op 30 april 1857 naar Naarden. Willem huurde de boerderij Bussummerstr. 158 en 159 van Dan­kel­schijn. Vol­gens het kadaster G 242 en G 243. [Huidige nummers 44 en 44a] Het bijbehorende erf en moestuin, volgens G 217 en groot 4,2 are, liep door naar de St. Vitusstraat.

 

Over het contact tussen vader Willem en de kinderen is weinig bekend. Wel is het volgende verhaal overgeleverd:

Willem zou niet erg oranjegezind zijn geweest, een logisch gevolg van enkele eeuwen achterstelling van katholieken. In de periode dat Willem zich in Naarden vestigde was de spanning tussen protestanten en katholieken weer toegenomen. Bij veel protestanten ontstond, met steun van koning Willem  III, een nieuwe golf van antipapisme. [Als gevolg van het in 1853 opnieuw instellen van R.K. bisdommen, voor het eerst sinds de 80-jarige oorlog.] Omstreeks 1870, op een 'oranje' feestdag, werd in Naarden druk gevlagd. Onder de Naardens waren fanatie­ke oranjeklanten. Personen die geen vlag uitstaken sleurden zij uit hun huizen om ze af te ranselen. Willem zou als drei­ge­ment een mes in de tafel gestoken hebben waarbij hij zei: "Als een geus mij aanraakt, dan krijgt hij hiermee te doen". Daarop sloop zoon Jan naar buiten en schilderde 'ORANJE BOVEN' op de luiken. (1) [Wat zou hier­van waar zijn ? Zeker is dat de generatie van Willems kinderen en kleinkinderen, altijd vurige oranjeklanten zijn ge­weest.]

 

UITWONEND DIENSTVERBAND

 Naast de overgeleverde verhalen, zijn er schriftelijke bronnen over de zonen en dochters van Willem en Mietje. Uit het bevol­kingsregister van Naarden blijkt, dat de meisjes elders als dienstmeisjes hebben gewerkt. De zonen hebben in hun jonge jaren vaak als inwonende boeren­knecht buiten het Gooi ge­werkt. Op welke jonge leeftijd zij elders ging werken is [nog] niet uitge­zocht. Een arbeidscontract  duurde meestal een jaar en van begin mei tot eind april. Enkele noties uit het register van Naarden:

 

naam      vertrek uit  nieuwe gemeente       terug in   vorige gemeente

          Naarden                            Naarden

 

Cornelis

 

Jannetje  26.04.1865    Weesperkarspel

 

Hendrik   22.04.1862    Blaricum

 

Jacob      05.01.1869   Muiden

 

Lambert    15.04.1868   Muiden              03.02.1869  Muiden

 

Pieter     06.01.1867?  Weesperkarspel      21.05.1868  Weesperekarspel

 

Jan                                         03.01.1871  Weesperkarspel

           24.12.1872   Muiden              01.03.1876  Muiden

           07.01.1878   Muiderberg Gem. M.  15.03.1879  Muiden

 

Zo vermeldt het bevol­kingsregister  de terugkeer van zoon Jan in Naarden op 3 januari 1871. Hij is dan bijna 19 jaar en had een jaar of langer in Weesperkarspel gewerkt. Er is slechts één anekdote bekend over Jan's verblijf bij een van zijn bazen:

Jan werkte en was in de kost bij een papenhater.  Het was daar geen vetpot en vlees kwam daar weinig op tafel. Uit pesterij kreeg Jan juist op vrijdag vlees, terwijl dit een verplichte vleesloze dag was voor Roomskatholie­ken. Bovendien kreeg hij bij deze zuinige boer weinig te eten. De boerin kookte voor het personeel voor meerdere dagen tegelijk een grote pan rijst en daar werd dagelijks uitgegeten. Vaak was de bovenlaag al bedorven, in dat geval schepte de boerin gewoon die laag er af en kreeg ieder een portie. (2) [Veel rijke burgers en boeren aten niet samen met het perso­neel.]    

Jan bleef vervolgens van jaunari 1871 tot 24 december 1872 in Naarden. Volgens de overlevering zou hij meegewerkt hebben  aan de verbetering van de vestingwerken in zijn woonplaats, moge­lijk in deze tussenliggende perio­de. [In het hoofdstuk 'Militaire activiteiten in Naarden' staat meer hierover]

 

De dag voor Kerstmis 1872 werd het vertrek van Jan naar Muiden ingeschre­ven. Waarschijnlijk bleef hij daar werken tot zijn terugkeer naar Naarden op 1 maart 1876.  In Muiden werkte hij dus ca. 3 jaar bij een of meerdere boeren. Daarna duurde het 2 jaar voor Jan weer vertrok.  Mogelijk was hij die jaren thuis op de boerderij nodig.  Zijn vader overleed namelijk 13 decem­ber 1877 en was de voorafgaande periode misschien wel ziek.  Moeder Mietje moest dus een beroep doen op één van haar zonen. Haar oudste zonen, Cornelis en Hendrik, waren reeds getrouwd. Cornelis bezat al een boerderij, Hendrik mogelijk ook.  Het kan dus zijn, dat Jan en/of andere broers moeder's  bedrijf tijdelijk gerund hebben.  Zoon Pieter bleef tot na moeder Mietjes over­lijden op de ouderlijke boerderij. Jan vertrok 7 januari 1878 naar Muiderberg, waar hij verbleef tot 15 maart 1879.

Wanneer de gezinsleden thuis op de boerderij werkten, gingen zij met elkaar in het weideseizoen koeien melken op de Naar­der Meent. Vooral het buitendijkse gebied was uitgestrekt en alle koeien van de Naarder erfgooiers liepen door elkaar. Van jongs af aan waren de jongens, net als andere boerenkinderen, meege­gaan met de melkers  om afgedwaalde koeien op te halen.  Zodoende werden veel contacten tussen de verschillende erf­gooiersfami­lies gelegd. Het was dan ook geen wonder dat drie leden uit het gezin van Willem de Gooijer verke­ring kregen met drie uit het gezin van Harmen Krijnen. Hein koos  Harmens dochter Cornelia, Jan dochter Klaasje en Aaltje  zoon Lambert  Krij­nen. 

 

DE FAMILIE KRIJNEN

In een boerderij gelegen tussen de Wijde Marktstraat (thans Raadhuisstraat) en de Gansoordstraat woonde het echtpaar Harmen Krijnen en Emmetje Dekker met hun gezin. Hun oudste dochter Cornelia en zoon Lambert waren geboren in hun boerde­rij in de Cattenhagestraat. Hun jongste dochter werd in het voorhuis aan de Wijde Markt­straat op 11 augustus 1865 geboren en dezelfde dag ge­doopt. De pas­toor schreef in het doopregis­ter Clasina. Harmen had echter aangif­te gedaan van de geboorte van Klaasje, moge­lijk vond hij Clasina te deftig klinken. 

_____________________________________________________________­

 

Vader Harmen was erfgooier, stamde uit Bussum en had zich na zijn huwelijk in 1849 in Naarden gevestigd.  Zijn vee liep op de Naarder Meent en de jongens en meisjes moesten al vroeg met de melkers mee.  Daar en mogelijk in de St. Vituskerk  ont­moet­en zij de Gooijers kinderen. Zo werden verbindenissen voor het leven gesmeed.

 

 

DE SCHOOL

De oudste kinderen van Willem en Mie gingen naar school in Blaricum. Het onderwijs moet daar redelijk goed zijn geweest, want Cornelis werd later zelfs gemeenteraadslid. De jongere kinderen uit het gezin gingen in Naarden naar school. Deze stond in de School­straat, een gedeelte van de huidige Pas­toors­traat.  Het schoolge­bouw dateerde uit 1828 en verkeer­de in slechte staat, zelfs de muren waren gescheurd. Ruim 225 kinde­ren zaten ver­deeld in twee lokalen op banken, die 'amphi­thea­tersge­wijs' opliepen. Voor de ramen waren geen gordijnen of zonnenscher­men. Bij zonnig weer werden de luiken gesloten. Dorst lessen moest bij de gemeentepomp op straat en die was tevens speel­plaats.  Klaasje de Gooijer-Krijnen vertelde later,  dat de onder­wijzer zijn baby meenam in de klas. Het kind stond in een mand. Het onderwijs was ook hier redelijk. Klaasje kon tot op hoge leeftijd nog goed rekenen en schrij­ven. Lokale geschiede­nisles kreeg ze uit overlevering. Haar grootou­ders vertel­den hoe ze in Bussum te lijden hadden gehad van de Franse bezet­ting van de vesting Naarden.  Het Franse garnizoen was van november 1813 tot mei 1814 ingesloten door Kozakken en het Neder­landse leger. Af en toe deden de Fransen een uitval en gingen op roof uit in Bussum. Grootva­der Krijnen had een knecht waarvan zelfs de zilveren knopen van diens broek werden gesne­den.

 

VERTIER IN NAARDEN

In Naarden viel niet veel te beleven, maar als er iets te doen was dan werd er gefeest. Zo was er de verjaardag van Willem III waarbij soms een optocht werd gehouden. Andere hoogtepun­ten waren de jaarlijkse veemarkt en vooral de Naarder kermis. Vader Harmen Krijnen had een speciaal kermispotje voor zijn kinderen.  Het geld was afkomstig van de huur die het 'over­tuintje van de Roeper' opbracht. Notaris de Roeper had het tuintje tegenover zijn woning aan de overkant van de Gansoord­straat gehuurd. Hij had nu een mooi uitzicht en voorkwam de mogelijkheid tegen een mesthoop aan te moesten kijken. Midden in een perkje prijkte een beeldje.

 

Kroeglopers zijn 'de Gooijers' nooit geweest. Alleen met de Naarder kermis en tijdens de koeienmarkt kwamen ze in de Doelen. Dit cafe was een van de beste uit de vele cafe 's die in de Ves­ting waren. De meeste klanten bestonden uit de diens­tplich­ti­gen van het garnizoen.

Naarden kreeg zelfs bezoek van een beroemd Amerikaans circus. De vreemde dieren die in de optocht liepen had de Gooijer-jeugd nog nooit in werkelijkheid gezien.

 

DE MILITAIRE DIENST

Koning Willem III had de Nederlandse jongens uit arme bevol­king  willen opofferen voor zijn belangen. Bekend is, dat hij 'op zak liep' met een oorlogsverklaring aan Pruisen.  Voor of tijdens de Frans-Duitse oorlog was dat het geval. Gegoede burgers hadden daar geen problemen mee.  Werd een rijkeluis zoontje goedge­keurd, dan was er nog geen man overboord. Men kocht gewoon een rem­placant voor f 210 tot f 400.- .(in 1830)  In de mitieregisters is het allemaal na te lezen. Eerst kwamen de 19-jarige jongens op een lotingslijst. Deze lijsten waren onbedoeld een graadme­ter voor de slechte gezondheidstoestand van het merendeel van de bevol­king. De lengte van de leef­tijdsgenoten liep van 1810 tot ca. 1880 achteruit. De vereisde minimumlengte voor Grenadiers zakte van 1,72 naar 1,70 in 1830 en tot 1,67 in 1866.

Op de lotingslijst werden de persoonlijke gegevens van de lote­lin­gen vermeld. Iedere in aanmerking komende mannelijke bewoner werd door het gemeente­bestuur op een 'Alphabetische lijst' gezet. Nadat deze was goedgekeurd door de militiecom­missaris, werd met de loting begonnen. Dit gebeurde ook in Naarden. Cornelis de Gooijer had de twijfelachtige eer als oudste van het gezin de spits af te bijten. In 1858 kreeg hij een oproep om naar het stadhuis te komen. De officiele ge­beur­tenis daar werd geleid door de militiecommissaris. Deze mili­tair nam bil­jetten met de cij­fers van het aantal aanwezige jonge Naar­ders en zette daar zijn paraaf op. De loten werden opge­rold en in een glazen fles gedaan. In alfabetische volgor­de moest de loteling een lot trekken, daarna werd het nummer met luide stem afgeroepen. Cornelis was de klos, hij had nummer 21 getrokken. Na de loting werd van de jongelui de lengte en het signale­ment opgetekend. Reden tot vrijstel­ling was: lengte kleiner dan 1,55 m, het hebben van gebreken, enig wettig kind zijn, broe­derdienst ... enz. De dienstplicht voor de militie gold van 18 tot 24 jaar. Gedurende die periode mocht niet getrouwd worden. Dit kon aanleiding geven tot ongewenste situaties. Gelukkig trouwden 'de Gooijers' meestal op een oudere leeftijd en bleven 'motjes' ach­terwegen.

 

Willems oudste zoon Cornelis was dus de eerste van het gezin, die inge­loot werd. Hoewel voor  vader Willem in 1829 een dure remplacant gekocht  werd, gebeurde dit nu niet. Waren de kosten te hoog, of had Cornelis geen bezwaar? Hij werd 1859 ingedeeld bij het eerste regiment dragonders, een soort paar­denvolk. In 1860 verliet hij de dienst en in 1863 ging zijn 'groot verlof' in. De overige broers werden vrijgesteld wegens broederdienst.

De signalementen van de gebroeders de Gooijer waren:       

 

Lijst  voornaam  lengte  neus  aan-    ogen  kin   wenk-  mond  voor-  haar

                 meters        gezicht             brouw        hoofd    

--------------------------------------------------------------------------

1859   Cornelis  1,645    ---   rond    grijs ---  ----    ---  ----   ---

 

1864   Hendrik   1,642    ---   rond    grijs  rond blond  klein ---- blond

 

1867   Jacob     1,60     ---    rond    blauw  ---- blond  ---   hoog ---

 

1869   Lambert   1,605    ---    ----    ---   -----  ---   ---   ---  ----

 

1871   Pieter    1,624    ---    ----    ----   -----  ---   ---   ---  ---

 

1872   Jan                                                                 

1874   Gerrit                                                                 

NAARDENSE VESTINGWERKEN OP DE SCHOP

Het laatste kwart van de negentiende eeuw bracht grote veran­deringen in het Gooi. De aanleg van de Oosterspoorlijn Amers­foort - Amsterdam en de Gooische Stoomtram ontsloten het Gooi. De autochtone bevolking raakte uit hun isolement en de streek werd opengesteld voor hoofdzakelijk Amsterdamse forenzen.

In deze periode werden ook de vestingwerken van Naarden aange­past aan de 'vooruitgang', dat wil zeggen de 'moderne oorlogs­voering'. De verbetering ­was  het gevolg van de ontwikkeling van  het geschut en granaten in de Frans-Duitse oorlog van 1870. Het Duitse leger met dit nieuwe wapentuig vormde een bedreiging. De vestingwallen werden verhoogd en men bouwde de bomvrije kazernes, Promers, Oud Molen en Oranje. Op de basti­ons kwamen bomvrije gebouwen, die alfabetisch  van een letter werden voorzien. (Zo werden er enkelen op het Bastion Turf­poort gebouwd, die bij de Naarders bekend staan als poterne  'X' en 'IJ'.)

Aan de Zuider­zeekust werd het Fort Ronduit aangelegd en rondom Naarden ook vijf kleinere forten. Dezen kregen de namen van respectie­velijk 'Werk no. 1', no. 2, no. 3, no. 4, no. 5. (tegenwoordig rest alleen nog 'Werk 4' in Bussum.) Al het grondwerk aan wallen en forten gebeurde met het 'handje'. Schop en kruiwagen waren de enige hulpmiddelen. Ook Jan Wil­lemsz de Gooijer had zich laten aanmonsteren voor de vesting­bouw. Hij was nog vrijgezel en kon nu in zijn ouderlijke boerderij aan de Bussummerstraat blijven wonen.

Gewoonlijk werkte hij elders als boerenknecht en woonde der­halve ver van huis. Jan stond nu zij aan zij met potige pol­derjon­gens en kon het zware werk nauwe­lijks aan. Om zijn rug te sparen droeg hij een speciaal hiervoor gemaakt leren kor­set. Of andere broers dit werk ook deden is onbekend. Wel kwam zijn oudste broer Cornelis in de problemen door de bouwactivi­teit.  Zijn boerderij, gelegen in de Kooltjes­buurt op nummer 496, moest wijken voor de nieuwe kazematten op bastion Oud Molen.

 

Nadat de werkzaamheden aan de verdedigingswerken waren vol­tooid, besloot de legerleiding het weerstandsvermogen van de verbeterde Vesting Naarden te beproeven.  In 1885 werden daarom grote manoeuvres rondom Naarden gehou­den, waaraan 4000 militairen deelnamen.  Het pas enkele jaren oude weekblad  'De Gooi- en Eemlander' weidde aan deze manoeuvres ruime aandacht. In de zaterdaguitgaven van 22, 29 augustus en 5, 12 september werden vele kolommen volgeschreven over de voorbereiding en de uitvoering. Alles wat er gebeurde werd door de Naardense bevolking, waaronder de familie De Gooijer, op de voet ge­volgd.

 

MILITAIRE VOORBEREIDING    

De militairen werden  gesplitst in een aanvallende en een verdedigende partij. Ter onderscheiding droegen de aanvallers een witte band om hun chaco (hoofddeksel). Een groot gedeelte van hen werd gelegerd in tenten op het terrein van 'het Kamp van Laren'. 1)  Naast de infanterie, bewa­pend met geweren, was ook de veldartillerie aanwezig. Het veldgeschut was, tijdens de voorbereiding eind augustus, vanuit de Vesting Naarden naar de aanval­lers gebracht. Bij het vervoer van oorlogsmaterieel werd gebruik gemaakt van de Gooische Stoom­tram en burgervoer­lieden. Waarschijnlijk werden de plaatse­lijke boeren, waaron­der Jan de Gooijer, met hun paarden inge­scha­keld, zoals later bij het uitbreken van de Eerste Wereld­oorlog. 2)

Een deel van de verdedigers nam stelling in de forten 'Werk no. 1 t/m 5' en in de 'Lunetten' aan de Karnemelksloot. Het overige deel, waaronder de vestingartillerie, bleef in de Vesting Naarden achter. De toren van de Grote Kerk werd voor­zien van een handbediend optisch seintoestel, zoals in de Napoleontische tijd in gebruik was. In de kazerne Oud Molen werd de genie ondergebracht, bovendien was daar het hoofdkwar­tier van kolonel R.C. van Onselen. De krant berichtte dat deze commandant aldaar de beschikking had over een telegraafverbin­ding  en dat er zelfs verschillende 'telephoon­lijnen' waren. Perfecte inlichtingen over de ligging van het zenuwcentrum van de verdediging. Hiermee werd ook de Pruisische spionage­dienst op een presenteerblaadje bediend, want van die kant dreigde het werkelijke gevaar.

Zwaar geschut van de vestingartillerie werd op de hoofdwallen geplaatst. De plaatselijke 'oorlogscorrespondent' berichtte:  "Overal steken de kanonnen dreigend hun koppen vooruit, ter­wijl sommige stalen vuurmonden niet minder kwaadaardig achter de hooge wallen te wachten staan om zoodra de vijand zich vertoont over de borstwering heen de zware projectielen weg te slingeren".

Overal waren schildwachten, die bij slecht weer in eenvoudig van stro gebouwde schildwachthuisjes konden schuilen. Tevens werden van houten balken onderkomers gebouwd die met zand werden afgedekt. Er werd van s'morgens vroeg tot 's avonds laat aan gewerkt. De wallen werden op veel punten verlicht door daar aangebrachte lantaarns. Ook aan de buitenwerken werd gearbeid. Het fort 'Werk 4' op de heide tussen Bussum en Kamphoeve, werd geheel door palisaden omringd. achter dit fort was een tentenkamp waar een afdeling artillerie en genie verbleef. De grote loods ter plaatse werd gedeel­telijk inge­richt als paardenstal. Het andere gedeelte bevatte de aller­nieuwste vinding op het gebied van de verdediging. Hier was een machineka­mer ingericht van het electrisch 'verlichtings­toestel'. Met deze voorloper van de schijnwerper kon het voorterrein verlicht worden. Volgens de correspondent: "Die nog veel beter dan de maan van dienst kon zijn voor de verde-diger, daar het licht naar alle kanten kan worden gedraaid. De vijand kan dat electrisch licht dan ook hoogst waarschijnlijk wel naar de maan wenschen. De deskundi­gen beweren nu echter dat zoo'n lamp wel aardig is en ook weleens in den oorlog dienst zal kunnen doen, doch dat men eerst nog een middel moet vinden om haar onkwetsbaar en gedeeltelijk onzichtbaar te ma-ken, daar zij nu den vijand niet alleen de juiste ligging van het fort verraadt, maar ook door een goed gericht schot kan worden vernield".

De voorbereidingen werden zaterdagavond afgesloten. Zondag 30 augustus was een rustdag en maandag was er een grote parade op de hei bij Bussum ter gelegenheid van Prinsjesdag.

 

DE MANOEUVRES.

De manoeuvres begonnen op dinsdag 1 september en duurden met een onderbre­king op zondag tot en met donderdag 10 september. Dinsdagmiddag om drie uur reden twee 'vijandige' militairen te paard door de linies van de verdedi­gers. Een ruiter was een parlementair met een witte vlag, de ander was een trompetter. Ze reden naar de Vesting en eisden de overgave, die geweigerd werd door de vestingcommandant. De eerste dag richtten de aanvallen zich op de voorwerken, de dag daarna op de vesting. Natuurlijk trokken deze manoeuvres heel wat toeschouwers. Niet alleen Naarders vergaapten zich, ook van elders kwam men kijken. Zelfs de toren werd door nieuwsgierigen beklommen. Vaak ging men onvoldaan naar huis, omdat men niet altijd wist waar 'slag geleverd werd'. 

Vanaf woensdag­morgen 2 septem­ber schoot men vanaf de vesting­wal­len. Ondanks het schieten met los kruit waren de schoten zo hard, dat geadvi­seerd werd de ramen open te zetten. Ook de burgers kregen geen rust, dag en nacht klonk het gedon­der. Natuurlijk hadden de soldaten het moeilij­ker. Het eten was vaak slecht, hoewel de rantsoenen verhoogd waren. Er was zelfs meer vlees dan anders beschikbaar. De soldij bleef minimaal en bedroeg een dubbeltje per dag. Voor deze fooi waren ze dag en nacht in de weer. 3) Op rustige nachten stond een kwart van de verdedi­gers op wacht en een kwart lag gekleed op het stro. De andere helft mocht in onderkleding op het losse  stro slapen.

De aanvallers waren nog slechter af, zij bivakeerden in de open lucht en deden schijnaanvallen. Bovendien moesten zij schansen opwerpen en loopgra­ven aanleggen. Dit zware werk gebeurde tijdens slagregens. Op ongeveer 1000 pas van 'Werk 4' groeven zij een 400 meter lange loopgraaf met een borstwe­ring er voor. Daarin werden 'granaat­vrije' dekkingen gemaakt en batterijen gebouwd.  Zieken waren er gelukkig niet veel. De hospitaalsol­daten waren echter wel druk in de weer met het oefenen in het leggen van verband en het wegdragen van de namaak 'gewon­den'.

Ondertussen werd op 'Werk 4' elke avond druk geëxperimenteerd met het 'verlichtings­toestel'. Vele nieuwsgierige burgers kwamen naar dit wonder van de techniek kijken. Voor praktisch iedereen was dit het eerste contact met electrisch licht. Bussum had gasverlichting tot in de het begin van de twintig­ste eeuw en Naarden kreeg als eerste Gooise gemeente electri­sche verlichting in 1899.

Na afloop van de manoeuvres was er een grote parade met mu­ziek. Deze vond plaats op het gedeelte van de Bussummerheide waar anders wedrennen werden gehouden. Danks zij het mooie weer trok dit 'grootsche' schouwspel veel bekijks. De 'oor­logscor­res­pondent' eindigde zijn verslag met: "Ieder keerde voldaan huiswaarts, de talrijke toeschouwers te voet en in rijtuigen even goed als de militairen, die blijde waren naar huis terug te mogen keeren, te eer daar het weder in de laat­ste dagen hoogst ongunstig werd". Ongetwij­feld was Jan de Gooijer en zijn broers onder de nieuwsgierigen, want dergelij­ke belevenissen kwamen zelden voor in het stille Naarden. 

 

1) Thans (1999) asielzoekerscentum Crailo.  

 

2) In 1914 bracht Herman, de oudste zoon van Jan de Gooijer, met zijn vaders paard kanonnen vanuit Naarden naar Utrecht.

 

3) Tot omstreeks 1900 vervulden rijkeluiszoontjes niet hun militaire dienstplicht, een vroeg soort weiger-yups. Zij lieten zich vervangen  door een remplacant.

 

POORT- EN NACHTWACHTERS

In 1877 werd de oude Utrechtse Poort afgebroken om plaats te maken voor de nog bestaande. De Amsterdamse Poort werd om­streeks 1682 gebouwd. Uit 1687 dateert een reglement voor de poortiers dat tot 1851 in stand bleef. De poortier was ver­plicht nauwlettend toe te zien op alles wat de poort binnen­kwam. Ook moest hij 's morgens een kwartier voor het openen en 's avonds een kwartier lang voor het sluiten van de poort de poortklok luiden. Vooraf moest de poortier van de Amsterdamse Poort de bomen in het boomgat buiten de poort en in de Pijp en onder de Zeebrug sluiten. De poortier van de Utrechtse Poort  behoefte alleen het boomgat bij de Oostdijk te sluiten. De poorten werden in de zomermaanden om 3.30 en in de winter­maanden om 5.30 geopend. In de zomermaanden werden ze om 10 uur en in de wintermaanden om 17.00 uur gesloten. Een ieder die te voet, te paard of met een rijtuig kwam moest een halve stuiver betalen. Wilde men binnenkomen uit de laatste trek­schuit na het sluiten van de bomen en de poort, dan betaalde men een stuiver. Na 1851 was het verkeer door de poorten geheel vrij. Niet duidelijk is of de poorten toen in de avond nog gesloten werden.  Ook had Naarden een nachtwacht. In de Gooi en Eemlander van april 1886 staat hierover het volgende:

'De Gemeenteraad heeft in zijn jongste zitting het be­sluit genomen om de nachtwacht voortaan geheel uit de stadskas te bezoldigen, waardoor nu het jaren-oude ge­bruik vervalt dat de nachtwachts s'Maandags hun penning­ske bij de burgers of beter gezegd: de burgeressen opha­len'.  

Waarschijnlijk trad de nachtwacht ook op als 'porder'. De porder wekte 's morgens in de vroegte op afspraak boeren en burgers.  

 

STICHTING GEZIN

 

HET GEZIN VAN CORNELIS EN CORNELIA

Cornelis de Gooijer trouwde op 10.02.1870 in het stadhuis en in de St. Vituskerk te Naarden met Cornelia de Jong. Zij overleed 17.08.1875.

 

   Doopnaam    roepnaam  geb.datum  geb.plaats           doop te   parent.

 1. Maria                10.12.1870 Naarden, nr. 496     Naarden         

 2. Margaretha           01.04.1872 Naarden, nr. 496     Naarden         

 3. Wilhelmus  Willem    05.09.1873 Naarden, nr. 495     Naarden   VIII

 4. Maria                23.01.1875 Naarden, nr. 126     Naarden   VIIIe    

HET GEZIN VAN CORNELIS EN WILHELMINA

Cornelis de Gooijer hertrouwde op 10.01.1876 in het gemeentehuis en 20.01.1876 in de St. Vituskerk te Naarden met Wilhelmina Dorresteijn.

 

   Doopnaam    roepnaam  geb.datum  geb.plaats           doop te   parent.

 5. Maria                09.03.1877 Naarden, nr. 126     Naarden   VIII       6. Elbertus Wilhelmus   07.02.1879 Naarden, nr. 126     Naarden   VIIIf 

 7. Gerardus   Gerrit    12.02.1881 Naarden, nr. 126     Naarden   VIIIg

 8. Joannes    Jan       15.04.1883 Naarden, nr. 142     Naarden   VIII

 9. Petrus     Pieter    01.07.1885 Naarden, nr. 142     Naarden   VIII      10. Cornelia             10.12.1887 Naarden, nr. 142     Naarden   VIII 

11. Antonia    Tonia     26.03.1890 Naarden, nr. 142     Naarden   VIIIh                       ---------------------------- 

Cornelis de Gooijer werd 1839 geboren in Blaricum. Hij trouwde met Corne­lia de Jong, die geboren was op 30.03.1844. Zij was de dochter van de veehouder Herma­nus de Jong en Grietje Ale­brink. Corne­lia werd geboren in de boerderij Nieuwe Haven 5. Cornelis en Cornelia gingen wonen in de Kooltjesbuurt nr. 496.  Hun eerste kind geboren op 10.12.­18­70 noemde zij Maria. Zij werd vernoemd naar de moeder van Cornelis, die zelf als doop­getuige optrad. Het kindje overleed al op 11.11.1872. Op 01.04.1872 werd hun tweede dochter gebo­ren, haar tante Maria de Jong was doopgetuige.  Deze Margaretha overleed op 03.11.­18­76 op 4 jarige leef­tijd. De stamhouder Wilhelmus werd gebo­ren 05.09.1873. Hij werd traditiegetrouw genoemd naar de vader van Cornelis. Het bleek een gezonde jongen te zijn, zoals later ter sprake komt.  Zijn doopgetuige was Jannetje de Gooijer, een zus van zijn vader. In 1873 werden de vesting­werken van Naarden versterkt. Ook het bastion Oud Molen werd grondig aangepakt.  Een gedeel­te van de Kool­jes­buurt aldaar werd afge­broken om plaats te maken voor 'bom­vrij­e' kazemat­ten. Het gezin verhuis­de daarom naar het boerde­rijtje Gijgelstraat 126. (thans St. Vitus­straat) De achterzijde grensde aan het kerkpaadje, dat rond de Grote Kerk liep. Corne­lia beviel hier op 2­3.01.1875 van Maria. Als doopge­tuige trad op Aaltje de Gooi­jer, de jongste zus van Cornelis.  Op 17 augus­tus van dat jaar overleed Corne­lia. Ze werd begra­ven op het R.K. kerkhof van Naarden.              

 

Cornelis hertrouwde 10.01.1876 voor het gemeente huis te Bussum en 20.03.1876 in de St. Vituskerk te Naarden met Wil­helmina Dor­resteijn. Zij was geboren op 31.01.1848 te Bussum. Haar ouders waren de landbouwer Egbertus Dorresteijn en Maria Huisman. Samen kregen zijn drie dochter en vier zoons op het adres Gijgelstraat 126 (142).

Op 31 oktober 1896 kocht Cornelis voor f 2450.- de boerderij St. Vitusstaat. Hij was actief in de plaatse­lijke en Gooise politiek en was raadslid van de gemeente Naarden van 1903 tot 1909. Bovendien zat hij in het bestuur van de door Floris Vos gestichte 'nieu­we par­tij' van de erf­gooiers. Deze partij stelde de wantoe­standen binnen het instituut van 'Stad en Lande' aan de kaak. Mede door acties van Cornelis en de zij­nen, werd uitein­delijk de erfgooierswet van 1912 aangeno­men. Dankzij deze wet verbe­terde niet alleen de onderlinge verhou­dingen, maar vooral de meent­gronden. De bedrijfsvoering van de kleine boeren werd verbe­terd, totdat het gebrek aan grond ten behoeve van de woningbouw het einde van de scharende erfgooi­ers inluidde.

Een begrip in de familie was de zoon uit het eerste hu­welijk 'Willem de Matroos', die beroeps was bij de marine. Zijn zus Marie was getrouwd met Thadeus Snoek die een boerderij bezat tussen de Turfpoorts­traat en de St. Anna­straat.  

Zoon Elbertus ging omstreeks 1905 met kapelaan Vergouw naar Slagharen. Vergouw werd aldaar pastoor en Elber­tus Koster. Hij trouwde in 1916 en liet een uitgebreid geslacht na. Zijn broers kregen geen kleinzonen. De zoons Jan en Piet werkten eerst op de boer­derij van hun vader en trouden op oude leef­tijd. Jan bleef op de ouderlij­ke boerderij en Piet betrok een boer­derij in de Cattenhage­straat. Zoon Gerrit trouwde Dina Hart­ong en kreeg twee dochter en een zoon. Gerrit pachtte het vuilnisophalen in Naarden, dat gebeurde met zijn  eigen wagen en paard. Hij was tevens doodgraver.

 

 

              --------------------------     

 

HET GEZIN VAN HEIN EN KEE

Hein de Gooijer trouwde mei 1877 met Kee Krijnen

 

 

Hendrik  trouwde mei 1877 met Cornelia (Kee) Krijnen. Zij was de oudste zuster van Klaasje de later echtgenote van broer Jan. Het echt­paar woonde in een boerderij op de hoek van de Wijde Mark­straat/Duivensteeg. Hij was veehouder, meentbeambte en tevens stierhouder en stond bekend als 'Hein de Bullen­boer'. Zomers deed Hein met zijn stier de ronde op de Naarder Meent. Hij kondigde zijn komst aan door op een grote ossen­hoorn te blazen. In de winter werden de koeien ter dekking naar zijn boerderij gebracht. Vaak moest Hein daarbij de stier een 'handje' helpen. Dit laatste tot grote hilariteit van de buurtjongens die, glurend tussen de kieren van de schut­ting, het gebeuren nauwlettend volgden.

Het gezin bestond uit twee zoons en vijf dochters. Kee over­leed in 1924 en Hein in 1931. De vrijgezelle dochters Marie en Bertha, bleven op de boerderij wonen en behielden daarom het schaarrecht. De melk van hun koeien ventten zij zelf uit. De oudste zoon Willem betrok een boerderij op de Keverdijk. De jongste zoon Herman werd hoofdopzichter bij de erfgooiersver­eniging 'Stad en Lande van Gooiland'.

 

 

HET GEZIN VAN JACOB EN MIETJE

Jocob de Gooijer trouwde mei 1878 te Naarden met Maria (Mietje) Bitter­ling.

 

   Doopnaam            roepnaam  geb.datum  geb.plaats             parent.

 1. Wilhelmus          Willem    03.04.1879 Naarden, nr. 100       VIIIl  

 2. Woutera Maria      Woutertje 04.07.1880 Naarden, nr. 109      

 3. Maria              Marie     15.06.1881 Naarden, nr. 109      

 4. Joannes Wilhelmus  Jan       22.02.1884 Huizen, Wijk E nr.    

 5. Joannes Wilhelmus  Jan       09.03.1885 Huizen, Wijk E nr.     VIII

 6. Gerardus Wouterus  Gerrit    07.11.1886 Naarden, nr. 118       VIII

 7. Woutera Maria      Thera     18.11.1887 Naarden, nr. 118       VIII

 8. Johannes Wouterus  Johan     18.11.1887 Naarden, nr. 118       VIII

 9. Maria Woutera      Marie     20.10.1889 Naarden, nr. 118       VIII

 

Jacob trouwde 22.05.1878 te Naarden met Marie Bitterling. Zij was afkomstig uit Hoogland en daar geboren 20.04.1850.  Vanwe­ge haar karakter werd zij in de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, waarvan er drie als baby overleden. Zou het verdriet over haar gestorven baby's  de oorzaak van haar bittere houding zijn geweest?

Jacob en Mie betrokken eerst het pand St. Vitusstraat 100.

Hier werd de stamhouder Willem  op 03.04.1879 geboren. Tradi­tioneel werd hij vernoemd naar de vader van Jacob.

 

Omstreeks 1883 verhuisden zij naar Huizen. Jacob was daar tolpachter tot 1886. Het gezin woonde in het (nog bestaande) tolhuis aan de Naarderstraat. Iedereen die passeerde moest tol betalen, zowel voor personen, rijtuig of vee. Ook de stoomtram van Bussum naar Huizen reed langs het tolhuis, ook alle inzit­ten­den moesten betalen. Op dit adres Wijk E nr. werden twee zoons gebo­ren. Eerst Joannes Wilhelmus op 22.02.1­884, die als baby overleed. Daarna weer een Joannes Wilhelmus op 09.03­.1885. Huizen bezat geen katho­lieke kerk, de weinige katholie­ken daar behoorden onder de parochie van Blaricum. Beide kinderen werden dan ook de­zelfde dag gedoopt in Blari­cum. De doopgetui­ge Jannetje Bit­terling moest een lange reis maken vanuit Hoogland. Waar­schijnlijk eerst met de trein uit Amers­foort tot Hilversum en vervolgens met de pas aangelegde stoom­tram naar Blaricum.

Jacob was tevens op­zichter bij een van de zand­af­gravingen in het Gooi. De gravers werden 'Muizen' genoemd en daarom kreeg hij de bijnaam 'Muizenko­ning'. Zijn kroost noemde men dan ook de 'muizenkin­deren'.

 

Rond 1886  verhuisde het gezin weer naar Naarden. Ze gingen wonen in de boerderij St. Vitusstraat 118. De achtererf was bereikbaar via een steeg die uitkwam in de Bussummerstraat.

In dit pand werd 07.11.­18­86 Gerrit geboren en op 18.11.1886 de twee­ling Thera en Johan.  Marie werd geboren 20.10.1889.  

 

De oudste zoon Willem had een verlamd been. Zoals toen gebrui­kelijk was koos hij een zittend beroep en werd schoenma­ker.

Zoon Jan werd in de jaren dertig meent­beambte en stier­houder ('bul­lenboer') en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de ver­schillende neven en ooms uit elkaar te houden.

Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder Amadeus.   

De dochters Thera en Marie bleven vrijgezel. Marie heeft net als haar nichten van oom Hein een tijdlang met melk gevent. Later werd ze naaister. Thera trad als jong meisje in de huis­houding bij boer Aalders in Bussum. Na 1945 werd ze huishoud­ster bij de weduwnaar Henk Hartong.

 

                    -------------------------

HET GEZIN VAN LAMBERT EN MIETJE

Lambert de Gooijer trouwde 1881 met Maria (Mietje) Schragen

 

   Doopnaam            roepnaam  geb.datum  geb.plaats             parent.

 1. Wilhelmus          Willem    16.06.1882 Hilversum              VIII

 2. Gerardus Petrus    Gerrit    10.09.1888 Amsterdam              VIII

 3. Reinier            Rijk      02.02.1890 Amsterdam              VIII

 

 4. Maria              Marie     30.03.1892 Naarden, nr. 562       VIII

 5. Clementina         Meintje   09.02.1894 Naarden, nr. 562       VIII

 

 

Lambert  trouwde in 17.08.1881 met Maria (Mietje) Schragen, geboren 30.06.1850 te Weespercarspel als dochter van Schragen. Ze vestigden zich in Hilversum waar de stamhouder Willem op  16.06.1882 werd geboren. Daarna verhuisden zij naar Amsterdam waar twee zoons werden geboren. Gerrit op 10.09.1888 en Rijk op 02.02.1­890. Hierna kwam het gezin terug in Naarden. Lambert werd brugwachter en bediende de Gele draaibrug over de Muider­trekvaart.  Tegenover de brug stond de rijkswoning, die bij de (rijks) brug hoorde. Op dit adres, Amsterdamsche Straatweg 562 werden de twee jongste dochters geboren. Lambert overleed  op 45-jarige leeftijd in 1896. Zijn weduwe bleef achter met 5 jonge kinderen. Tot 1903 moest zij haar gezin onderhou­den als brug­gewachtster.

Voor en tijdens de Eerste We­reld­oor­log maakte zij ook de lokalen schoon van de Openbare Lagere scho­ol. Zij ontving daarvoor 50 cent per lokaal en per week. Alleen al het school­geld voor twee van haar jongste kinderen kostte al 75 cent per week.  Wil­lem, de zoon van Lambert en Mietje, werkte voor 1907 als melkknecht bij zijn oom Jan voor f 12.- in de week. (of dit zijn enige bron van inkomsten was is niet be­kend)  Willem had een sympatiek karakter. Het gezin van zijn oom Jan en tante Klaasje was zeer op hem gesteld. Vooral bij zijn nichten was hij geliefd. De dochters van Klaasje spraken gekscherend over ONZE Willem. Hierop zeiden zijn zusters Marie en Meintje om strijd: "Nee het is ONZE Willem".

Alle gezinsleden van Lambert en Meintje bleven kinderloos.

 

                 ---------------------

 

HET GEZIN VAN PIETER EN KEE

   Doopnaam       roepnaam  geb.datum  geb.plaats        doop te   parent.

 1. Maria Cornelia          07.01.1903 Naarden, nr.     

 

Pieter woonde tot aan zijn dood op de ouderlijke boerderij in de Bussummerstraat. (thans ter plaatse van nr. 44 en 44a) Na het overlijden van zijn vader woonde hij daar met zijn moeder Mietje tot zij in 1899 over­leed. Zijn nichtje Marie deed vanaf toen zijn huis­houding. Zij was een dochter uit het eerste huwelijk van broer Corne­lis. De verstokte vrijgezel Pieter trouwde op 48 jarige leeftijd met de 38 jarige Cornelia (Kee) de Zwart uit Blari­cum. In 1902 kocht Pieter de boerderij met de achterliggende moestuin van Helena Dankelschijn. Mogelijk was het geld afkom­stig van Cornelia, want zij bezat bouwland in de Blari­cummer Eng. In 1903 vergroot hij de boerderij met een aanbouw op zijn erf. In dat jaar wordt dochtertje Maria Cornelia geboren, zij overleed na 4 maanden. Pieter werd 54 jaar en overleed in 1905. Na het overlijden van Pieter was Kee de enige erfgenaam. Zijn weduwe her­trouwde met veehou­der Schouten en bleef op de boerderij wonen.

 

                   ----------------------------

 

HET GEZIN VAN JAN EN KLAASJE

Jan de Gooijer trouwde

   Doopnaam       roepnaam  geb.datum  geb.plaats        doop te   parent.

 1. Maria Emma Marie                   Naarden, nr. 460  Naarden   VIIIn

 2. Emma Maria              11.07.1890 Naarden, nr. 460  Naarden

 3. Hermanus Wilhelmus                 Naarden, nr. 460  Naarden   VIIIo

 4. Emma Maria              27.06.1894 Naarden,          Naarden        

 5. Alida Cornelia          03.10.1896 Naarden,          Naarden

 6. Cornelia Johanna                   Naarden, nr.      Naarden   VIIIp

 7. Wilhelmus Germanus            1900 Naarden, nr.      Naarden   VIIIq

 8. Lambertus Johannes                 Naarden, nr.      Naarden   VIIIr

 9. Johanna Hendrika                   Naarden, nr.      Naarden   VIIIs

10. Johannes Jacobus                   Naarden, nr.      Naarden   VIIIt

                                                    

 

Jan trouwde 17 mei 1887  Klaasje Krijnen. Bruidegom Jan is 34 jaar en zijn bruid 22 jaar. Zij vestigden zich in het pand hoek Regenboog­straat/Wuyvert op nummer 460. Op dit adres werden de vier oudste kinderen geboren:

Maria Emma op 21 juni 1888, Emma Maria op 11 juli 1890, Herma­nus Wilhelmus op 20 januari 1892 en de tweede Emma Maria op 27 juni 1894. De op 11 juli geboren Emma Maria leefde slechts een maand, zij overleed op 14 augustus 1890. Voor haar moeder Klaasje is deze slag zo zwaar, dat zij later nooit haar eigen verjaardag vierde op de elfde augustus, maar steeds op de tiende. Mogelijk werd de baby ziek op de verjaardag van Klaas­je. [ Dit verhaal doet wel de ronde, maar op het klopt ?]

Op woensdag 26 april 1893 schrokken de bewoners van de Wuy­vert.  Er brak brand uit in het onbewoonde gedeelte van de gebroeders L. aldaar. De brand sloeg over naar de aangrenzende wagenmakerij, die uitbrandde. Ook de kruidenierswinkel van de gebroeders L. had brandschade. Gelukkig bleef het pand van Jan en Klaasje  gespaard, maar Jan ging toch op zoek naar een grotere boerderij. Nogmaals werd de buurt opgeschrikt. Op donderdag 29 juni 1895 hoorden de mensen in de omgeving Pijl­steeg en Oosteindestraat een oorverdo­vend geraas. Men dacht dat er een huis instortte. Aannemer Piet van Wettum bleek  bezig te zijn met het omtrekken van een half afgebroken pand in de Korte Pijlsteeg. Na de sloop bouwde hij aldaar vier woningen. Hij had een contract met het Ministerie van Oorlog  afgesloten, waarbij hij deze zogenaamde onderofficierswonin­gen voor een lange tijd aan militai­ren kon verhuren.

                       -----------------------------

HET GEZIN VAN AALTJE EN LAMBERT

Aaltje de Gooijer geboren in 1857 trouwde 02.05.1881 te Naar­den met Lambert Krijnen, geboren 09.12.1855 te Naarden.

 

   Doopnaam                 roepnaam  geb.datum  geb.plaats         parent.

 1. Emma                    Emma      12.08.1883 Naarden, nr. 126    VIII

 2. Wilhelmus Hermanus                25.10.1884 Naarden, nr. 127    

 3. Wilhelmus Hermanus      Willem    17.10.1885 Naarden, nr. 127    VIII

 4. Hermanus Wilhelmus                07.02.1887 Naarden, nr. 127       

 5. Lambertus Gerardus      Bep       10.05.1888 Naarden, nr. 127    VIII

 6. Hermanus Wilhelmus      Herman    11.10.1889 Naarden, nr. 127    VIII

 7. Maria                   Marie     29.01.1891 Naarden, nr. 127    VIII

 8. Gerardus                Gerrit    21.04.1892 Naarden, nr. 127    VIII

 9. Thimoteus               Timo      09.12.1895 Naarden, nr. 127    VIII

10. Aleda Johanna           Alie      09.12.1897 Naarden, nr. 127    VIII

11. Johannes Jacobus        Jan       25.06.1899 Naarden, nr. 127         

 

Aaltje de Gooijer geboren te Naarden, trouwde mei 1881 met Lambert Krijnen. Zij betrokken de boerderij St. Vitusstr. 127. Later verhuisden ze en huurden een boerde­rij in de Gansoord­straat. Het erf grensde aan de Raadhuis­straat en was gelegen naast de Portuge­se Synagoge.

Lambert kreeg tijdens de hooibouw een ernstig ongeluk. Nadat de hooiwagen was geladen, werd op het voer hooi een weesboom gelegd. Doormiddel van een touw werd de paal op het hooi vastgesnoerd. Bij het gorren brak de paal met veel geweld en Lambert kreeg deze op zijn hoofd. Hierdoor raakte hij zodanig verlamd, dat hij zijn werk in de stal op zijn knieen moest doen. In 1899 overleed hij op 43 jarige leeftijd aan een hersentumor.

Lambert zou, naar men zei, angst gehad hebben om levend te worden begraven. Hij wenstte daarom in de bovenste kist in het graf gelegd te worden. Er ging in Naarden namelijk een verhaal over een man, die tijdens een epidemie was gestorven en met spoed was begra­ven. In het graf kwam de schijndode man weer tot leven, lag gelukkig in de bovenste kist en kon zich uit het graf wurmen. Rond midder­nacht kwam hij thuis, kwam voor een gesloten deur en wachtte op de stoep de morgen af.  

De weduwe Aaltje zette het bedrijf voort met haar jonge zonen. In 1903 kocht zij de boerderij voor f 3200.-. Het ongeluk bleef het gezin volgen. In 1904 brak brand uit in een winkel aan de Raadhuisstraat en die sloeg over op de boerderij. Na de brand liet Aaltje een nieuwe boerderij bouwen, waarvan het woonhuis (nr. 15) nog steeds bestaat. Lang heeft Aaltje er niet gewoond. Zij kwam in 1917 te overlijden door een val van de kelder­trap.

 DE BOERDERIJEN

De omgeving Gansoordstraat/Pijlsteeg  ging erop voor­uit en Jan de Gooijer greep zijn kans.  Jan verhuisde 1 mei 1896 naar de boerderij op de hoek Gans­oord­straat/Pijl­steeg. [Huidige Pijl­straat] Hij sloot een huurcontract af met de rentenier G. Brouwer, dat zou eindigen op 30 april 1902. Brouwer bleef in het voorhuis wonen en Jan betaalde f 3.50 per week voor de rest van de boerderij. Direct na het overlijden van G. Brouwer in 1898 kocht Jan het gehele perceel voor f 3500.-. [Klaasje overleed in 1956 en heeft daar dus 60 jaar gewoond]

Op het gerucht dat Brouwer of de voorgaande eigenaar Koeman op zijn doodsbed "zoeken, zoeken" had gesta­meld, door­zocht Jan het huis in de hoop een schat te vinden. Hij klopte tevergeefs op alle wan­den. (4)

De 17e eeuwse boer­derij  bestond uit een voorhuis aan de Gansoordstraat [thans nr. 31] en een achterhuis met schuur in de Pijlstraat. De totale lengte was 36 meter en de breedte 9,5 meter.  Het voorhuis was afge­splitst van de rest door eenvou­dig enkele deuren dicht te timmeren. In dat gedeelte bleef Gerrit Brouwer voorlopig wonen.  [Jaren later hebben alle zonen van Klaasje de eerste jaren van hun huwelijk in het voorhuis gewoond. Van al die gezinnen zijn de oudste kleinkin­deren daar geboren.]

Achter de voordeur in de Pijlstraat lag een lange gang die doorliep naar de toegangsdeur van het erf. Bij binnenkomst lag direct links de deur naar de ruime voorkamer. Deze kamer had een raam aan de straatzijde en was voorzien van twee grote bedsteden en een kinder bedstede. Verder in de gang was links de trap naar de zolder en daarachter de deur naar de kleine achter­kamer. In deze kamer, met uitzicht op het erf, werd hoofdzakelijk gehuisd. Hier was de bedstede waar Klaasje als weduwe sliep. Rechts achter de gangmuur lag  het spoello­kaal met daarin een houten pomp. Daarachter lag de lemen dors­vloer. Van de straat­zijde was deze bereikbaar via een dubbele hooi­schuur­deur. Door deze hoge en brede deur en een van gelijke afmetingen aan het einde van de schuur, werden in de hooitijd 50 voer hooi naar binnen gereden. Het hooischuurgedeelte lag langs de straatzijde. De lange koeien­stal lag daarnaast aan de zijde van het erf. In deze stal was plaats voor 17 koeien. De paardenstal lag achter de deel.

In de Gansoordstraat lag de inrit van het wagenpad naar het erf. Tussen het pad en de achterkamer lag het bleekveld met enkele vruchtbomen.  Tegen het bleekveld en tegenover de ach­terdeur van het achterhuis stond een houten schuurtje. Dit besond uit twee gescheiden delen, namelijk een keukentje en een ouderwetse plee. Aan het eind van het wagenpad lag op het erf een open wagenloods met daarachter een grote schuur, vooral bestemd voor jong vee.  

_____________________________________________________________­

 

 

 Jan's broer 'Hein de Bullen­boer' kocht zijn boerderij  ge­lijktijdig en eveneens van de erven Brouwer van de erven en betaalde f 1800.-.

HET LEVEN OP HET BOERENBEDRIJF

Het leven van de gebroeders de Gooijer was zoals van de andere meentboeren.  Zomers vroeg om half vijf op pad met paard en wagen of  de hon­den­kar om te gaan melken. Bij Jan stonden twee grote trekhon­den ter beschikking. De twaalfjarige zoon Wim deed in 1912 bij een ­feest mee in de optocht met de hondenkar en werd  daarmee vereeuwigd op een foto.

In het weideseizoen gingen 'de Gooijers' en hun zonen twee keer per dag naar de Naar­der Meent. Daar liepen enkele honder­den koeien door el­kaar. De koeien voelden echter aan wanneer het melkens­tijd was, uit zichzelf kwamen ze naar de melkplek van iedere boer. Als een koe echter 'tuch­tig' [parin­gsdrift] was, ging ze zwerven. De Naarder Meent bestond nog uit een binnen­dijks en een bui­tendijks gebied. Aan de Zuider­zee lag de buitendijkse gedeelte bestaande uit de weiden ten westen (Voorste Haver­land) en ten oosten (Achterste Haver­land) van Fort Ronduit. Het vee kon via de kade van het fort en de ondiepe 'koeienzee' van het ene deel naar het andere lopen.

Als door een  najaarsstorm 'de zee overkwam' in de het buiten­dijks gebied, dan werd het vee op de meent achter de Westdijk in veilgheid gebracht. 

De Gooijers namen, zoals de meeste boeren, zijn kinderen mee. De jong­sten hadden de taak om afgedwaalde koeien op te halen. Zij kenden hun eigen dieren aan de tekening op de huid. In het najaar met duister en mistig weer was het een hele opgave om een koe te vinden, vooral omdat er overal sloten lagen met hier en daar een gladde plank.  

Om zes uur of half zeven, terug van het land, wer­den eerst de melkbussen afgeladen. Het paard of de honden werden uitgespan­nen en gevoederd. Thuis was dan alles in rep en roer. De kinderen draafden door het huis. De oudsten gingen nuchter naar de vroegmis. Om half zeven stond de pap voor vader  klaar.

Toen de gebroeders de Gooijer wat ouder waren en hulp hadden van hun zonen, gingen ze daarna een tukje doen. Zij deden dat zittend in een stoel aan tafel met zijn hoofd op zijn armen. Daarna werden de melkbussen, kannen en emmers geboend. De melk werd direct rondge­bracht naar de klanten in de gehele vesting. Ook het Militair Hospitaal en de kazernes werden voorzien. Om daar melk te mogen  leveren moest een contract worden afgeslo­ten. De mena­gemeester kwam persoonlijk op de boerderij afreke­nen. In de hoop dat het contract ver­lengd werd kreeg hij na de betaling een fooi. Deze steekpen­ning was ongeveer een rijks­daalder. Klaasje, de vrouw van Jan, ging in de begin­jaren heel vroeg naar de kazerne om melk naar de keuken te brengen. Voordat ze daar was kwamen de soldaten al naar haar toe om hun veldflessen te laten vullen. Zodoende had Klaasje dan, om zes uur in de morgen, haar eerste handgeld al binnen.

De gebroeders waren ook 's winters in de weer met allerlei werkzaamheden in en rond de boerderij. Daar behoorde ook het mestrijden bij in de winter. Mogelijk verongelukte Jan bijna door een op hol geslagen paard, want in de Gooi en Eemlander stond het volgen­de te lezen: 

"Donderdagochtend 31 December 1897 kwart over elf sloeg het paard van De G. op hol, deze eigenaar een eind meesleepende. Aan het einde van de Oosteindestraat werd door het dier een hek omgeworpen en gebroken. Gelukkig vielen er geen persoonlijke ongelukken voor. 'Gelukkig' mogen we wel zeggen, want eenige minuten later was de straat vol van de Openbare School verlatene kinderen".

[Als er een politierapport is uit die tijd, dan zal daarin wel de volledige naam zijn vermeld.] 

 

In de boerderij aan de Lange Pijlsteeg werden de jongste zes kinderen geboren en wel:

Alida Cornelia op 3 oktober 1896, Cornelia Johanna op 16 september, Wilhelmus Hermanus op 18 augustus 1900, Lambertus Johannes op 26 januari 1903, Johanna Hendrika op 18 augustus 1905 en Johannes Jacobus op 14 augustus 1909.

 

DE ERFGOOIERS IN DE KNEL.

 

Rond de eeuwisseling zijn er troebelen in het Gooi. Onenigheid en tweespalt tussen de Gooise gemeentebesturen en de erfgooi­ers. Het gaat over de bestuursvorm van Stad & Lande van Gooi­land, het instituut van de erfgooi­ers. De hoofdoorzaak is de bedreiging die uitgaat van het 'oude' bestuur van Stad & Lande, dat bestaat uit de burgemeesters van de stad Naarden en van de Gooise dorpen. Voor de aanleg van de Oosterspoorlijn door het Gooi in juni 1874, kwamen de burgemeesters nog enigs­zins op voor de belan­gen van de autochtone bevol­king. Dat gold vooral de dorpsbur­gemeesters, die vaak uit hun dorp stamden. Uiteraard omdat hun belangen parallel liepen met die van de autochtone dorpsbevol­king. Met de komst van de spoorweg in het Gooi nam de rijke importbevolking toe. De burgemeesters en notabelen zagen hierin een betere bron om hun zakken te vul­len. Ex-burgemees­ter van Huizen en Bussum, de 'heer' Langer­huyzen, was hiervan een goed voorbeeld. Hij stichtte in 1902 een 'Maatschappij tot exploitatie van bouwterreinen'. Als bestuurslid van Stad & Lande wist hij een uitgestrekt terrein rond Crailo in handen te krijgen. Hierop volgde machteloos verzet van een aantal erfgooiers. Maar 'Geld dat stom is, maakt recht wat krom is'. De actievoe­rende erfgooiers werden voor het 'gerecht' gedaagd en veroordeeld. Het verzet van de autochtone erfgooiers nam grotere vormen aan toen er een wijziging kwam in het stelsel van de schaarmeesters. Er ont­stonden twee partijen, de zoge­naamde 'Oude partij' en de 'Nieuwe partij'. De nieuwe partij koos als voorzitter Floris Vos, die eigenaar was van de model­boerderij Oud Bussem. Op de naastgelegen 17e eeuwse boerderij rustte een dubbel schaar­recht. Hijzelf was afkomstig uit Utrecht, maar zijn voorouders waren erfgooiers. In het bestuur van de nieuwe partij en tevens in de gemeenteraad zat ook de oudste van de gebroeders Cornelis de Gooijer. 

 

De twist in het Gooi laaide hoog op. Terwijl de leden van de oude partij toegang tot de meenten kregen, werd dit aan die van de nieuwe partij geweigerd. Tot die nieuwe partij behoorde ook Jan Willemsz de Gooijer. Vaag herinnerde zich zijn zoon Herman als ca. elfjarige jongen te zijn meegegaan in een roeiboot. De inzittenden hadden zich bewapend met stokken, waarin spijkers waren geslagen. Deze gebeurtenissen speelden ca. 1903. In dezelfde tijd vond in Zuid Afrika de Boerenoorlog plaats. Onder de Nederlandse bevolking was veel sympathie voor deze zogenaamde Afrikaner boeren.  Een  populai­re liedje uit die tijd: "En de boeren hebben overwonnen, hiep, hiep, hoera ....." Mogelijk droeg deze stemming bij in het verzet van de Gooise boeren, waarbij het tot een harde kon­fron­tatie kwam met de overheid:

In 'Malbak' (Blaricum) werd het meenthek bewaakt door rijks­veldwachters. Dit hek was gelegen in de zogenaamde koedijk die de meent van de Eng (bouwland) afsloot. [prikkeldraad bestond nog niet] Het dijkje bestond uit opgesta­pelde graszoden met daarlangs aan de meentzijde een greppel. Het was nodig omdat in de hoogge­legen meent aldaar, een droge schei­sloot geen vee tegen­hield. Toen in 1903 een aantal boe­ren­zo­nen een stukje verder­op bezig was een opening in de koedijk te graven, riep de Blari­cumse burge­mees­ter de hulp in van mili­tairen. De erfgooiers waren ongewapend en boden geen verzet. Het 'gezag' trad echter op, zoals het toen steeds sociale misstan­den 'oploste' of 'bestre­ed'. Er volgde geen waarschu­wingsschot in de lucht. [Ook al beweerde de Gooi en Eemlander dit, zonder getuigen te horen.] Er werd ook niet op de benen, maar gericht geschoten. Daarbij werd een 22-jarige Laarder doodgeschoten. De jongen stond ter goede naam en faam bekend. Dit was een duidelijke politieke MOORD ! De zaak werd nooit uitgezocht. Een strafzaak tegen de commandant en de schietende militair volgde niet. Mogelijk werd hij onderschei­den. De schuld lag uiteraard bij de overheid.

Tenslotte matigde de toenmalige regering zich aan om de erf­gooierskwestie te regelen. Bij vroegere belangrijke beslissin­gen werden de erfgooiers geraadpleegd en werd hoofdelijk ge­stemd. In 1912 kwam zonder inspraak de erfgooierswet tot stand. Hiermee kreeg het eeuwenoude instituut 'Stad en Lande van Gooiland' een moderne 'wettige' basis.

 

Van ouds her hadden de erfgooiers gemengde bedrijven. Het was zelfs zo, dat het vee oorspronkelijk werd gehouden ten behoeve van de mest voor het bouwland. De koeien stonden in zogenaamde potstallen op een dikke laag stro en heideplaggen. Rondom de dorpen lagen de Engen waarop vooral rogge en boekweit werd verbouwd. Voor de verbouw van boekweit was schapenmest het beste. Daartoe hielden vooral de Laarders en Hilversummers schapen op de heide. Beide dorpen hadden hiertoe de meeste rechten, omdat zij het verste van de meentgronden gelegen waren. Wie veel schapen hield mocht geen koeien weiden. Jan bezat zelf geen bouwland. Hij pachtte drie akkers, eerst van schoon­vader Harmen en na diens overlijden van zwager Tijmen. Dit bouwland lag in de Bussummer Eng achter de herberg De Gooische Boer. Hij verbouwde daar rogge, bieten en aardappe­len. Er werd wisselbouw toegepast, pas om de drie jaar weer hetzelfde gewas op dezelfde akker. De zandgrond was  onvrucht­baar en vroeg veel mest met heideplaggen, dat op het ge­ploegde land werd gestrooid. De plaggen voorkwamen het weg­stuiven van de grond. De voerbieten waren voor het eigen vee. De rogge ging naar de bakker voor roggebrood. Ook ging roggemeel in de dagelijkse ochtendpap en in de bloedworst die Klaasje maakte. De aardappelen van de Eng smaakten niet lekker, toch kwamen er vaste klanten voor. Het gezin at zelf prima aardap­pelen die zij verbouwden op de tuingrond van 'De Plak'. 

 

In de jaren die volgden kwam steeds meer bouwland in handen van 'project­ontwikkelaars'. Het eeuwenoude patroon van het gemengde Gooise boerenbedrijf kwam in de verdrukking. Vooral in Naarden voltrok zich dit proces al vroeg. Het bouwland rond de vesting was reeds een eeuw lang in handen van kapitaal­krachti­ge personen, zoals Van Rossum. Deze gronden werden afgezand en omgevormd tot landgoederen, tuinderijen en boom­kwekerijen. De Naarder boeren konden zo goed als geen gewas meer verbouwen. Hun koeienmest leverden ze noodgedwongen aan de kwekerijen, omdat zij zelf geen of weinig bouwland meer bezaten. Ook op aan de meent kon niet geleverd worden, want daar paste men al snel kunstmest toe. Het hoofdberoep van de boeren werd sinds­dien veehouder en melkboer.

 

ONDERLINGE FAMILIEBANDEN MET BROERS, ZUSTERS, NEVEN EN NICHTEN

Willem en Mietje waren met negen kinderen naar Naarden geko­men, alwaar nog dochter Aaltje geboren werd. Het gezin bestond uit zeven jongens en drie meisjes. Drie van Jan's broers stierven relatief jong.

 

Broer Gerrit overleed reeds op 20-jarige leef­tijd in 1875.

 Broer Jacob bezat een boerderij in de St. Vitusstraat. Hij was tevens opzichter bij een van de zandafgravingen in het Gooi. De gravers werden 'Muizen' genoemd en daarom kreeg Jacob de bijnaam 'Muizenko­ning'. Zijn kroost noemde men dan ook de 'muizenkinderen'. Zijn zoon Jan werd in de jaren dertig 'bul­lenboer' en stond bekend als 'Jan de Muis'. De bijnamen waren nodig om de verschillende neven en ooms uit elkaar te houden.

Jacob was getrouwd met Marie Bitterling. Vanwege haar karakter werd zij in de familie 'bitter ding' genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen, warvan er twee als baby overleden. Zij hadden twee vrijgezelle dochters Thera en Marie. Net als hun nichten van oom Hein, hebben zij een tijdlang melk ge­vent. De oudste zoon Willem, genoemd naar zijn grootvader, had een verlamd been. Zoals toen gebruikelijk was koos hij een zittend beroep en werd schoenmaker. Zoon Gerrit trad in een klooster en werd broeder Amadeus.   

 ONDERLINGE BAND MET SCHOONFAMILIE

Jan had nog een schoonvader en drie zwagers 'Krijnen', die vesting­boer waren. Deze zwagers waren zonen van de schoonou­ders Harmen Krij­nen en Emmetje Dekker.

 

Zwager Jacob trouwde in mei 1877 met Johanna Hanou. Zij ves­tigden zich eerst in de Regenboogstraat 403a. Later verhuisd