|
|
|
![]() |
||
01/15/03 |
|
|
RUZIE OM MOEDERS ERFDEEL IN DE 18E EEUW
Alledaagse geschiedenis De inhoud van het Oud Rechtelijk Archief van Blaricum bestaat uit zeer uiteenlopende onderwerpen. Koop en verkoop van woningen en grond worden afgewisseld door zaken van meer persoonlijke aard. Onder andere de aanstelling van voogden over minderjarige wezen. Heel soms staat ook een onderlinge ruzie beschreven, zoals over een ook nu nog actuele kwestie. Zo staat in 1710 een onenigheid te boek over een erfenis. De woordenwisseling vond plaats tijdens een begrafenis, tussen Jacob Hendriksz de Saijer en enkele van zijn aangetrouwde familieleden. De ruzie werd voor het Schepengerecht uitgevochten. Juni 1710 werden door verschillende getuigen verklaringen afgelegd over het gebeurde. Enkele maanden later, in september, werden deze mensen onder ede verhoord. Aan de hand van deze en andere archiefstukken is een recontructie te maken over de voorgeschiedenis en de aanleiding van de ruzie.
Het gezin van Theunis en Geertje Omstreeks 1668 trouwden in Blaricum Theunis Gerritsz met Geertje Hendriks de Saijer. November 1669 lieten zij hun zoon Hendrik dopen. Hij werd door de pastoor ingeschreven in het doopboek. Naar gewoonte van die tijd werden de namen van de ouders gelatiniseerd tot Antonius Gerardi en Gertrudis Henrici. Ook werd een dochter Geertje geboren. Meer kinderen had het echtpaar niet of mogelijk stierven ze jong. April 1706 overleed Geertje de Saijer. Haar echtgenoot was armlastig, zoals bleek uit het register van de 'Impost op begraven'. (begrafenisbelasting) Bij de impostaanslag stond 'Pro Deo' vermeld, zelfs de laagste aanslag van f 3.- kon Theunis niet betalen. Zijn vrouw Geertje had echter een vrijgezelle broer. Deze Jacob Hendriksz de Saijer was redelijk welgesteld. Hij bezat minstens twee huizen en waarschijnlijk een goedgevulde 'ouwe kous'. Mocht Jacob overlijden, dan erfde zijn familie. Nu zijn zus Geertje er niet meer was, ging haar 'toekomstig' erfdeel over op haar kinderen. Jacob had echter nog meer familieleden die op de erfenis aasden. Het was dus begrijpelijk dat Geertjes kinderen hun rechten zeker wilden stellen. Hun vader Theunis hertrouwde en maakte zich niet druk om de rechten van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk. Zijn dochter Geertje wilde echter duidelijkheid en ging in 1707 haar nood klagen bij Evert Gerritsz, de broer van haar vader. Ze zei tegen hem: "Evertoom, vaartie en wij sijn tevreden dat ghij met en nevens onse oom Jacob de Saijer te samen sullen seggen wat wij voor onse moedersgoed sullen hebben". Evert vernam verder dat zijn broer Theunis bij zijn hertrouwen niets had vastgelegd over het erfdeel van Geertjes moeder. Hij beloofde zijn nichtje om de kwestie te regelen. Na onderling overleg bezocht hij zijn broer Theunis. In diens woning waren ook zoon Hendrik, dochter Geertje en Jacob de Saijer. Evert onderhandelde met Jacob en na lang heen en weer gepraat kwamen ze tot overeenstemming. Als toekomstig erfdeel werd door Jacob toegezegd een bedrag van f 500.- en een behoorlijke uitzet. Het bleef bij een mondelinge afspraak. Hoewel Evert kon schrijven, werd niets schriftelijk vastgelegd. Overigens stonden vader Theunis en zijn zoon Hendrik op goede voet met elkaar. In 1708 ploegden en bezaaiden zij gezamenlijk een akker van Brant Pieters Craaijecamp. Daarbij ontdekten ze, dat een van de belendende buren zich stiekem een strook van deze akker had toegeëigend. Vader en zoon legden toen hiervan een getuigenis af voor een notaris in Naarden. Theunis gaf als leeftijd op 66 jaar en Hendrik 37 jaar.
Woordenwisseling tijdens begrafenis Februari 1710 overleed plotseling zoon Hendrik. Bij zijn begrafenis waren familie en bekenden aanwezig, waaronder zijn vader en zijn ooms Jacob de Saijer en Evert Gerritsz. De sfeer, tussen de broers Theunis en Evert enerzijds en zwager Jacob anderzijds was gespannen. De oorzaak was hoe het verder moest met 'moeders erfdeel'. Zoon Hendrik overleed namelijk als vrijgezel. Zijn erfdeel ging nu naar zijn vader Theunis. De overige erfgenamen van Jacob zagen met lede ogen een deel van de erfenis naar diens aangetrouwde familie gaan. Jacob werd de spanning te veel. Tijdens de begrafenis kreeg hij volgens de omstanders een 'overval'. Het was niet duidelijk of het een flauwte of een beroerte betrof. Grote schrik bij de broers Theunis en Evert. Stel dat Jacob het loodje legde voordat de erfenis geregeld was. Zo gauw Jacob bij zijn positieven kwam begon Evert over de vroeger gemaakte afspraak door te zeggen: "Jacob wij hebben nog liever met U als met uw erffgenamen te doen, nademaal sij niet en weten van het contract 't geen wij hebben gemaackt tusschen Theunis Gerritsz en zijn meerderjarige voorkinderen". Jacob antwoordde daar niets van af te weten. Waarop Evert weer zei: "Wel Jacob weet ghij niet dat wij te samen door Theunis Gerritsz en sijn voorkinderen sijn versogt om te seggen hoeveel hij, Theunis Gerritsz, aan sijn meergemelte voorkinderen, verwekt bij Geertje Hendriks, voor haar moederlijke goederen soude uijtkeren ? En dat wij te samen sijn int agterhuijs gegaan en daar te looff en te bode geweest ? En dat wij eijndelijk sijn veraccordeert, dat de voorkinderen van Theunis Geritsz voor haar moederlijke goederen souden hebben, eens een somma van 500 gl boven een behoorlijke uijtset ? En dat die somma eerst soude worden uijtgekeert na doode van Theunis Gerritsz ?" Jacob bleef ontkennen en Evert bleef vasthoudend vervolgen: "Wel Jacob, het geld en goed blijft hier en wij gaan naar de Eeuwigheijd. Siet hier een tweede opmerking van een haastige dood !" Die laatste opmerking sloeg kennelijk op zijn flauwvallen. Eindelijk gaf Jacob toe wel op de hoogte te zijn van de eerder gemaakte afspraken. Hij was echter erg overstuur geraakt. Men durfde hem niet alleen naar zijn huis in het dorp te laten gaan. Jacob bleef overnachten in het huis van Theunis Gerritsz. 's Morgens bij het opstaan begon Theunis weer tegen hem: "Ghij wilde gisteren van het accoort 't geen ghij voor mij met mijn voorkinderen hebt gemaakt nopende haar moederlij- ke goederen niets weten, weet ghij dan nog van ons accoort niet, 't geen wij voor desen hebben gemaakt ?" Jacob gaf het toe, maar voegde er bij: "Maar dan motte ghij aan Hendrik Theunisz ook soo veel huwelijks goed gegeven hebben als ghij Geertie Barten gegeven hebt!" Hij doelde mogelijk op een stiefdochter uit het tweede huwelijk.
Verhoor door de ' Ed. Agtbaare Geregte' Mogelijk herriep Jacob de Saijer later zijn uitspraak, want Theunisz Gerritsz verzocht aan getuigen een verklaring over het gebeuren af te leggen. Juni 1710 legde secretaris Thierens deze verklaringen vast van Evert Gerritsz en vier andere personen. Op 15 september nam het gerecht een verhoor af van de getuigen, die aanwezig waren tijdens de ter aarde bestelling van Hendrik Theunisz. Na Evert Gerritsz werden ondervraagd: Gijsbertje Rijken, de 70 jarige Dirk Harmensz, de gerechtsbode Cors Claasz en Jan Willemsz. Het verhoor werd te boek gesteld. Op de rechterhelft van de akten stonden de vragen (artikelen genoemd) beschreven. Op de linkerhelft de antwoorden van de getuigen. In het kort kwamen de vragen op het volgende neer: Wat hadden de getuigen gehoord en gezien tijdens de begrafenis ? Had Jacob de Saijer het bewustzijn verloren en was hij daarna bij zijn volle verstand tijdens de ondervraging door Evert ? Antwoordde hij normaal of sloeg hij wartaal uit ? Ontkende hij eerst en gaf hij later toe van een gemaakte afspraak te weten ? Op de meeste vragen antwoordden de getuigen met ja. Bij enkele vragen wist de een iets meer dan de ander te vertellen. Maar volgens hun uitspraken wist Jacob wel degelijk van het contract af en was hij bij zijn vollen verstand.
Ieder verslag van het verhoor werd ondertekend door schout Aaron Duyrkant en de schepenen Peter Brantsz en Meyndert Tijmens.
'Naar de Eeuwigheijd ' Evert Gerritsz had tegen Jacob gezegd: "Wel Jacob het geld en goed blijft hier en wij gaan naar de eeuwigheijd". De begrafenisgangers hebben het niet lang meer overleefd. Ze stierven kort na elkaar. De verstokte vrijgezel Jacob het eerst in februari 1715. Zijn testamentaire erfgenamen werden in juli genoemd in een verkoopakte. Daaruit bleek, dat Jacob zijn bekomst had gekregen van zijn familieleden. Hij had namelijk zijn twee huizen vermaakt aan de Potarmen van Blaricum. Deze brachten f 377.- op. Theunis Gerritsz overleed in april 1716, of hij kinderen na liet is onbekend. Evert Gerritsz volgde hem in oktober van hetzelfde jaar. Zijn nageslacht nam later de familienaam Roozendaal aan. Hoe het afliep met moeders erfdeel werd nergens vermeld.
______________________________
AFBEELDINGEN:
Blz. 10: Tekening van bijeengekomen familie die beraadslaagd over de erfenis. Jacob de Sayer verlaat de kamer. Het onderschrift luidt: "dat wij te samen int agterhuijs gegaan en daar te looff en de te bode geweest".
Blz. 11: De handtekeningen van de schout Aaron Duurkant en Pieter Brantsz, plus het huismerk M van Meyndert Tijmensz.
___________________
BRONNEN:
- SAGV te H'sum. Doop-, Trouw- en Begraafboeken van Blaricum. - SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267. 07.06.1708 - SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267 fo. 35, 36, 37. 10.06.1710 - SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3267 fo. 38, 39, 40. 15.09.1710 - SAGV te H'sum. ORA Blaricum, inv. nr. 3253 fo. 114 01.07.1715
____________________
Ruzie om moeders erfdeel in de 18e eeuw HISTORISCHE KRING BLARICUM. APRIL 1998, NR 27
-
|
This site was last updated 01/15/03