|
|
|
![]() |
||
01/15/03 |
|
|
DE NAARDERMAATLANDEN
Ontstaan
De oostelijk van de Huizer haven gelegen veengronden behoorden in de vroege middeleeuwen mogelijk tot de linkeroever van de Eem (1). Het riviertje mondde toen, net als de IJssel, in het Almere uit. Dit was een groot moerasgebied, bestaande uit vele meren, dat nog nauwelijks in verbinding stond met de Noordzee. Pas in de late middeleeuwen werd het Almere door stormvloeden omgevormd tot de Zuiderzee. Daarmee verdween ook het moerasgebied voor de Gooise kust. Door de verbeterde afwatering naar de Noordzee daalde het waterpeil waardoor de laaggelegen gronden langs de monding van de Eem droog kwamen te liggen en agrarisch bruikbaar werden (2). In de middeleeuwen kwam een deel van deze grond in het bezit van de Naardense Sint Vituskerk en het Klooster van Oud Naarden. Na de kerkhervorming ging het bezit over op de Hervormde Kerk. De landerijen van het Klooster werden geschonken aan het Naardense Burgerweeshuis, waardoor deze instelling in het bezit kwam van een complex maatlanden, genaamd de Monnikskampen (3). De andere maatlanden werden verdeeld over de Gooise gemeenten. Zo kreeg bijvoorbeeld Naarden gebieden te besturen die niet binnen de gemeentegrenzen lagen en van de namen 'Naardermaat' en 'Naarder Aangerecht' werden voorzien (4).
De zomerkade
Al in een vroeg stadium moeten de maatlanden door de gemeenten aan particulieren zijn verkocht. Hierbij ontstonden smalle, langgerekte percelen, die min of meer loodrecht op de kust lagen. Toen daar in het begin van de zeventiende eeuw naast aanslibbing ook afslag plaatsvond, kregen de Gooise gemeenten in 1633 een vergunning voor het aanleggen van een zomerkade (5). Volgens de stelregel 'Wie het water deert, het water keert', werd iedere grondeigenaar verantwoordelijk voor zijn eigen kleine stukje kade. Ook het aan de kust gelegen deel van de oostermeent (in gemeenschappelijk gebruik bij de erfgooiers en eigendom van de landsheer) werd toen van een kade voorzien. Om toezicht te houden op het onderhoud van de kade werden door de gemeentebestuurders kademeesters benoemd. Tot hun taak werd ook gerekend het inspecteren van de duikers in de kade, die de waterhuishouding van de maatlanden regelden. Iedere duiker was voorzien van een houten klep, die met vloed werd dichtgedrukt en met eb openging. Vanwege de geringe waterdruk in de sloten van de maatlanden, verliep echter de afwatering tijdens eb slecht (6). Om het water sneller te laten afvloeien, kwam het weleens voor dat een kademeester een balk stak tussen de duikerklep. Als deze blokkade bij vloed niet ongedaan werd gemaakt dan liep het zoute, dus voor het vee ondrinkbaar, water via de sloot van de maatlanden naar de meent. Botsingen tussen de kademeesters en meentbeheerders waren het gevolg.
Tot 1928 werd de kade op traditionele wijze beheerd. Spanningen tussen de gemeentelijke bestuurders en de grondeigenaren leidden tot het ontstaan van het Waterschap Gooische Zomerkade. Deze instantie omvatte niet alleen de circa 310 hectare maatlanden, maar ook de 400 hectare van het laaggelegen deel van de Oostermeent (6). In die tijd werd de Afsluitdijk aangelegd, zodat enkele jaren later de maatlanden aan het zoete water van het IJsselmeer kwamen te liggen.
Het beheer van de hooilanden
De verschillende maatlanden (Naardermaat, Monnikskampen, Naarder Aangerecht enz.) waren onderling van elkaar gescheiden door maatsloten. Het hele complex werd van de meent gescheiden door de grenssloot. Binnen ieder maatland ontbrak het aan sloten en hekken tussen de percelen. 's Winters overstroomde het gebied, waarbij de zee een vruchtbare kleilaag afzette. Het zou derhalve te grote inspanningen vergen om een uitgebreid slotenpatroon in stand te houden. De Naardermaat was één grote vlakte, waarbinnen de verschillende eigendomsverhoudingen vooral op papier waren vastgelegd. Deze in het landschap niet zichtbare kavels - alleen bij de grenssloot stond een genummerd paaltje - waren smal en lang: in de Aangerechten ongeveer 9 x 700 meter. Door het ontbreken van sloten, verliep de afwatering matig, waardoor het grasland in het voorjaar lang drassig bleef. De maatlanden waren daardoor niet geschikt voor beweiding, maar dienden uitsluitend als hooiland.
De maatlanden werden beheerd door schaarmeesters, die door de Gooise gemeentebestuurders gekozen werden uit de grondeigenaren. De schaarmeesters moesten zorg dragen voor het onderhoud van de genummerde paaltjes, die bij de grenssloot de verschillende kavels aangaven (6). In het voorjaar moest, voordat met de hooibouw werd begonnen, ieders bezit zichtbaar gemaakt worden. Uitgaande van de genummerde paaltjes werden dan de percelen opgemeten en afgebakend door bosjes stevige rietstengels op een rij in de grond te steken (7). Dat laatste werk werd door de zogenaamde grasbazen verricht, die weer in dienst waren van de schaarmeesters. Onlangs kwam uit particulier bezit een notitieboekje uit 1845 te voorschijn van schaarmeester Hendrik Rigter en de grasbazen Lambert Spil en Jacob Schipper. Hierin staat de grootte van ieders bezit en de ligging ten opzichte van de genummerde paaltjes aangegeven in oppervlakte eenheden van vóór 1820, de datum waarop het metrieke stelsel werd ingevoerd (8).
Een warboel van maten
De oeroude maataanduidingen en de verdeling van de maatlanden in smalle langgerekte stroken waren gebaseerd op het gebruik als hooiland. In de maatlanden werden bovendien zeer afwijkende eenheden gebruikt, hetgeen misschien een gevolg was van het behoren tot verschillende gemeenten. In de Naardermaat en Aangerecht rekende men bijvoorbeeld met de 'zwad', een strook gemaaid gras met de breedte van een zeisslag. Daarentegen sprak men bij andere maatlanden van 'dammet' (dagmaat), oftewel de oppervlakte die een man in een dag kon maaien. Verder werden er maten als 'voet' en 'akker' gebruikt (9). Vooral de Gooise bestuurders hadden moeite met deze warboel. Vlak voor de invoering van het kadaster verzocht de rijksoverheid aan de gemeenten om een opgave van het grondbezit in metrische eenheden. Het gemeentebestuur van Naarden schreef toen terug: "Ronduit gesproken is het bepalen der metrieke maat in deze gemeente in Openbare Akten, zoo lange de nieuwe Cadastratie niet is geschied, eene hersenschim"; waarbij als voorbeeld de maatlanden werden gekozen (10). Uiteindelijk gingen in 1824 enkele heren van het kadaster naar de maatlanden, omdat daar "meerdere duisterheden" en "volstrekt geene Grensscheidingen" waren. Samen met de Gooise bestuurders werden toen nieuwe grenzen vastgesteld.
De opheffing van de exclaves
Een noodzakelijke voorwaarde voor de invoering van het kadaster in 1832 was, dat iedere gemeente een aaneengesloten gebied kreeg. Door het bestaan van 'exclaves' als de maatlanden en de bouwvenen (daarover in een volgend artikel) moesten de Gooise gemeenten dus onderling grond ruilen. Zo werden alle maatlanden toegevoegd aan Huizen en Blaricum. Naarden kreeg er Huizer zandgrond ten zuiden van de Bollelaan voor terug, hetgeen op een kaartje werd vastgelegd (11). Uiteindelijk werd Naarden hiermee in oppervlakte groter. De ruil geschiedde namelijk niet op basis van oppervlakte, maar op basis van de hoogte van grondbelasting en daarmee dus de waarde van de grond.
Na de invoering van het kadaster verdwenen de bestuurlijke problemen met de maatlanden niet, omdat de Gooise burgemeesters belast bleven met het beheer van ieder voormalig stads- of dorpsmaat. In het begin van deze eeuw begreep bijvoorbeeld de Hilversumse burgemeester al niet meer waar hij het recht aan ontleende om schaarmeesters te benoemen voor de Hilversummer Bovenmaat en de Bijvank. Uiteindelijk maakte de ruilverkaveling in 1937 een einde aan het oude beheer en daarmee aan deze problematiek.
_________________________
Noten:
1. De zwadetijns en de koptienden, die de Gooiers betaalden aan Hoog Elten, Ir. T. van Tol, in Tussen Vecht en Eem, 1e jrg. nr. 3. 2. De Eemlandtsche Leege Landen, ontginningen rond de mond van de Eem in de 12e en 13e eeuw. C. Dekker en M. Mijnssen-Dutilh 1995 3. Stadsarchief Naarden, Archief Burgerweeshuis Naarden, BWH/10.11, 30-11-1795. 4. Geschiedenis van Gooiland. Dr. D.Th. Enklaar en Dr. A.C.J. de Vrankrijker. 5. Strekarchief Hilversum, Collectie Perk, nr. 84, Stukken betreffende de Gooische Maatlanden en de Gooische Kade ca. 1370-1852. 6. Stadsarchief Naarden, Resolutieboek van Burgemeester en Adjunct Burgemeester en Raaden der Stad Naarden, OAN 37-1, dd 1714. Stukken betreffende het beheer van de Gooische Zomerkade, gelegen tussen Naarden en Eemnes, NAN 640, 1828-1870. Archief Stad en Lande van Gooiland, Gooische Zomerkade 1633-1927, Waterschap de Gooische Zomerkade 1927-1975, nrs. 262 en 359, Kaart 'Meenten, Gooische Zomerkade', schaal 1 : 5000 (situatie van vóór de ruilverkaveling van de Maatlanden) 7. Huizer Kring Berichten, 16e jrg.3-9-1995. Historische Kring Huizen. 8. Notitieboekje met de eigenaren van de maatlanden in het Gooi. In particulier bezit bij een inwoner van Huizen. 9. Naerdincklant, Gooische studies. Dr. A.C.J. de Vrankrijker. 1947 10. Stadsarchief Naarden, Brievenboek van Burgemeesters en wethouders, NAN 6,7 en 8, 1819-1826 11. Stadsarchief Naarden, Stukken betreffende de werkzaamheden van het kadaster, de kadastrale leggeres, de opmetingen, e.d. NAN 486, 1816-1912. Proces verbaal der Grensregeling van Naarden 1824, met een 'Figurative schets van de grensscheiding tussen de gemeente Naarden en Huizen', OAN 127.6, aug. 1824.
Afbeeldingen: 1. Kaartje van de Maatlanden uit 1908. Hierop de maatlanden Huizermaat t/m de Bieskamp. 2. Kaartje van de maatlanden Huizermaat t/m de Bijvang. Onderschrift: De Maatlanden waren alleen op de kadasterkaart verdeeld in lange percelen met een klein stukje kade. In werkelijkheid was ieder complex één grote grasvlakte zonder hekken of scheisloten. Markeringspaaltjes aan de zuidelijke grenssloot gaven ieders eigendom aan. De Kampjes en Monnikskampen behoorden tot één eigenaar en werden verhuurd, vandaar de afwijkende verkaveling op de kaart. 3. Schematische tekening van vijf maaiers met het onderschrift: Het maaien van grote grasvlakten werd gedaan door hannekemaaiers. De voorste man gaf het tempo aan. De breedte van één zeisslag werd 'zwad' genoemd en was tevens de naam van de oppervlak van een gemaaide strook. 4. Kaartje met de grens tussen Naarden en Huizen uit 1824: Op deze figuratieve schets van de grensscheiding tussen Naarden en Huizen worden met de letters A en B de te ruilen percelen aangegeven. A. het gebied ten zuiden van de Bollelaan, B. de Naardermaat. Collectie Stadsarchief Naarden.
De Naarder Maatlanden DE OMROEPER, OKTOBER 1996, JAARGANG 9, NR. 4
-
|
This site was last updated 01/15/03