Talrijke
publicaties zijn gewijd aan de vestiging in ons land van Portugese Joden,
Walen en Hugenoten, die voornamelijk door godsdiensttwisten in de 17e
en 18e eeuw hun land moesten ontvluchten. Over de instroom
van een andere en minstens zo omvangrijke groep vreemdelingen, te weten
Duitsers afkomstig uit het aan Nederland grenzende Westfalen, is veel
minder gepubliceerd. Zij werden niet van hun geboortegrond verdreven,
maar kwamen binnen om economische redenen. Hollandgaenger werden ze in
eigen land genoemd en de emigratie naar Nederland stond bekend als die
Hollandgaengerei.
(1)
Twee soorten Hollandgaenger
Populair onder de Hollandgaenger waren de marskramers
of de ‘kiepenkerls’, zoals ze in de eigen streek werden genoemd.
Aanvankelijk reisden deze kooplui met hun handelswaar in
een mand hoog op de rug te voet heen en weer tussen hun woonplaatsen en
het Hollandse afzetgebied. Daar deden ze weken over. De markt in
Holland werd echter zo lucratief voor ze, dat velen hun Westfaalse
dorpen verlieten en zich voorgoed in Nederland vestigden. Als vlijtige
en gedisciplineerde ondernemers wisten ze het ver te brengen. Onder hen
zijn de stichters van de latere winkelconcerns Vroom & Dreesman,
Brenninckmeijer, Peek & Cloppenburg. Lampe en Hunkemoeler.
In de
zomermaanden werd Nederland overstroomd door een ander soort
Hollandgaenger, de zogenaamde hannekemaaiers. Dit waren bedreven
grasmaaiers, afkomstig uit het Duitse Oost-Friesland, het Emsgebied en
Westfalen. In de hooitijd kwamen de boeren in de welvarende
weidegebieden in Holland en Friesland handen te kort en de
hannekemaaiers werden door de rijke boeren dan ook met open armen
ontvangen. Maar zodra de oogst gedaan was, mochten ze weer vertrekken.
Slechts weinigen onder hen wisten zich blijvend in Nederland te vestigen.
Erg geliefd waren ze niet, deze gastgast arbeiders van eenvoudige
boerenafkomst. De Nederlanders beschouwden hen als lomperds of
botteriken en bedachten weinig vleiende bijnamen voor ze, in Friesland
poep, in Holland mof. (2)
Daarmee werden de hannekemaaiers onjuist naar waarde
geschat. (3) Ze kwamen naar Nederland om met hard werken (alles ging
nog met de zeis) en tegen een karig loon te helpen de hooioogst binnen
te halen. Dit gebeurde in een tijd waarin de vele werklozen in Nederland
niet in staat werden geacht dit zware werk te doen. (4) Uit een
krantenbericht uit die tijd bleek: ‘De werkman is krachteloos en traag,
maar niet onwillig. Hoe kon het ook anders! De voeding was ellendig, zij
bestond uit aardappelen, dikwijls van inferieure kwaliteit ’ (5)
Ook uit de 19e eeuwse keuringen voor de
militaire dienst bleek de slechte gezondheid van de Nederlandse arbeider.
In onze regio waren de hannekemaaiers vooral actief in de uitgestrekte
Eempolders en in de weidegebieden langs de Vecht.
Hollaendische Schweizer
Het omgekeerde kwam ook voor. Talrijke Nederlanders
trokken aan het eind van de 19e eeuw naar Duitsland om te
werken in Molkereien of Schweizereien, grote veehouderijen van het type
modelboerderij. Daar werkende melkknechten noemden men Schweizer. (6)
Die bedrijven waren hoofdzakelijk gevestigd in de vruchtbare Nederrijnse
laagvlakte, ruwweg in de streek tussen Venlo, Duisburg, Wesel en Kleef.
(Kreis Moers) Voor de voedselvoorziening van de bevolking in de
nabijgelegen Roergebied waren deze bedrijven van groot belang.
De naam Schweizerei was afkomstig van arme Zwitserse
bergbewoners die als eersten voor dit werk werden aangetrokken.
Blijkbaar wilden deze Schweizers niet meer , want weldra ontstond
een grote vraag naar ervaren Hollandse veehouders en melkers. (7)
Tegen het eind van de 19e eeuw steeg het aantal Hollandse
gastarbeiders aanzienlijk en hun vakbekwaamheid was dermate dat de naam
Schweizerei als bedrijf al gauw plaats maakte voor die van
Hiollaendgaengerei. (8) Het begrip Schweizer voor de individuele
werker bleef in Nederland echter nog lange tijd gehandhaafd.
Jonge
Gooiers op zoek naar werk
Rond de vorige eeuwwisseling zochten vele Gooise
boerenzonen in hun eigen omgeving tevergeefs naar werk in de landbouw
of veeteelt. De oorzaak was dat na de aanleg van de spoorweg Amsterdam
Amersfoort in 1874 steeds meer Gooise Enggronden werden onttrokken voor
woningen voor industriearbeiders, maar ook en vooral voor grote villa’s
met ruime tuinen. Het Gooi werd het favoriete woongebied van
welgestelde Amsterdammers. Hele villaparken ontstonden zo. (9)
Geen wonder dus dat de Gooise boerenjongens
werkgelegenheid buiten de eigen woonstreek gingen zoeken. Berichten over
de gunstige arbeidsmarkt in Duitsland sijpelden ook in het Gooi door en
het duurde niet lang of de eerste Gooiers trokken oostwaarts.
Ook vanuit Naarden vertrokken jonge boerenzonen naar de
Molkereien in Duitsland, met name naar de streek bewesten de stad Meurs,
in het Duits gespeld als Moers. Zij kregen ieder het beheer over een
grote stal met koeien. Hun werk bestond uit het uitmesten van de stal
en het voederen en het melken van de vele dieren. Dit laatste moest
driemaal per dag gebeuren. Een hele overgang voor de Gooiers, want thuis
waren ze met een kleinere veestapel slechts twee keer melken gewend, ’s
morgens om vijf uur en ’s middags om dezelfde tijd. Melkmachines kende
men nog niet, alles moest met de hand gebeuren. Ondanks de stevige
knuisten van de boerenjongens, bezorgde het melken hen in het begin
pijnlijke polsen. Maar de verzorging was prima en ook de beloning was
goed.
Gooierzonen verlaten de Vesting
Willem (Heinsz) de Gooijer was vermoedelijk de
eerste telg van een Naardense boerenfamilie die in een Molkerei ging
werken. In maart 1905 verliet deze pionier de Vesting om in 'Kreis
Moers'. Zijn geluk te beproeven. Willem was de zoon van 'Hein de
Bullenboer'. (10)en veehouder annex meentbeambte, die ook stierhouder
was, FdG) Diens boerderij stond in de Raadhuisstraat, op de hoek van
de Duivensteeg. Ter plaatse vinden we nu de entree van het Stadskantoor.
Later bewoonde Willem, als zelfstandige boer, een houten boerderij (inmiddels
verdwenen) in de Huibert van Eijkenstraat.
In 1906 volgde zijn neef Jan Jacobsz de Gooijer Willems
voorbeeld. Deze Jan was in de jaren vijftig van de 20e eeuw
meentbeambte op de Naarder Meent. De berichten over werk en verdiensten,
die deze Gooijerzonen naar huis stuurden, werkten blijkbaar aanstekelijk
en een drietal neven van Willem (Heinsz) de Gooijer vertrok eveneens
richting Moers. Het waren Willem Lambertsz in 1907, Gerrit Lambertsz in
1908 en Jo Jacobsz de Gooijer in 1910.
Ook zij vonden allen moeiteloos emplooi in de Molkerei.
Tijdens de spaarzame keren dat de Schweizers in Naarden
op bezoek waren, vertelden ze enthousiaste verhalen. Van hun loon
konden ze sparen voor een fiets., zodat ze geen dure treinreis hoefden
te maken. Soms kregen ze verlof van wel acht dagen om naar huis te gaan.
Die gebruikten ze meestal voor bijzondere gelegenheden.. Zoals voor 12
mei 1914, toen ze met z’n allen de 100-jarige herdenking van de aftocht
van de Fransen uit Naarden (11) feestelijk vierden, tezamen met de
andere Naarders.
Aangemoedigd door de mooie verhalen van de Schweizers
trok het avontuur ook jongere neven aan. Zo vertrokken ‘Herman van de
Bullenboer’ (12) en zijn neven Rijk Lambertsz de Gooijer en Herman
Jansz de Gooijer naar Duitsland. De laatstgenoemde Herman woonde in
zijn jonge jaren in de ouderlijke en nog bestaande boerderij op de hoek
van de Gansoordstraat en de Pijlstraat. In de periode 1927-1967 had hij
een eigen boerderij in de Bussummerstraat.
In de aangetrouwde familie kregen de jongelui eveneens de
smaak te pakken. De neven Bertus Lambertsz Krijnen en Gerrit Lambertsz
Krijnen vertrokken ook naar Moers. Deze broers woonden in een boerderij
in de Gansoordstraat. Het woonhuis ervan staat er nog en vormt
tegenwoordig tegenover het Stadskantoor de hoek met de in 1984 gemaakte
Nieuwe Steeg.
Van andere Naarders die Schweizer werden, is alleen
Jacobus (Ko) Vrakking bekend.
Minstens tien neven uit de familieband De Gooijer/Krijnen
verbleven voor kortere of langere tijd als Schweizer in de contreien van
Moers, op zijn minst tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in
1914.
Het dagboek van een Naarder Schweizer
Een van de Naarder Schweizers legde zijn ervaringen vast
in een dagboek. Dat was de in 1882 geboren Willem Lambertsz de Gooijer,
die in 1907 de Vesting verliet. Willems vader was al op jonge leeftijd
overleden. Zijn moeder de weduwe Mietje de Gooijer-Schrager, moest als
brugwachtster in het onderhoud van haarzelf en een stel jonge kinderen
voorzien. Vanuit een ‘rijkswoning’ bediende zij de ‘Groene Brug’ in de
Amsterdamsestraatweg. Die rijkswoning is er niet meer, maar de brug (zij
het vernieuwd) nog wel, het is de eerste vanuit de Vesting in de
richting van Muiden. Hoewel werkzaam als boerenknecht hielp Willem waar
mogelijk, tot aan zijn vertrek naar de Molkerei.
Willem’s ‘Schweizer-dagboek’ bestond uit een eenvoudig
schoolcahier dat hij met zwierig handschrift vol schreef met de in
Duitsland opgedane ervaringen. Op het etiket pende hij ‘Herinneringen
uit de jaren 1914-1915’.
Lezenswaardig is vooral de beschrijving van zijn laatste
roerige week in Duitsland. Dat was de week vanaf eind juli tot aan zijn
terugkeer in Naarden op verijdag 7 augustus 1914. Willem verbleef toen
in het Duitse dorp Schaephuysen, dat zo’n tien kilometer van de stad
Moers verwijderd lag. Zijn broers Gerrit en Rijk alsmede twee neven
werkten ook in de omgeving. Zijn belevenissen opgetekend in het dagboek
volgen in de rest van dit verhaal.
Een
knagende onzekerheid
De Eerste Wereldoorlog was net aan de gang en bijna
gelijktijdig met het Duitse leger mobiliseerden ook de Nederlandse
strijdkrachten. Hoewel Willem 32 jaar oud was en in 1903 zijn militaire
dienstplicht had vervuld, verkeerde hij toch in onzekerheid of hij
opgeroepen zou worden. Het liefst zou hij in deze onzekere tijd zo
gauw mogelijk naar huis gaan om zijn moeder te helpen. Zijn broers
hoefden niet in dienst, die waren vrijhgeloot of hadden vrijstelling
vanwege volbrachte broederdienst. De jongere neven daarentegen waren
wel dienstplichtig. Een van hen werd zelfs via het Nederlandse consulaat
per direct opgeroepen om naar huis te keren om zich te melden. Willem
bracht hem naar het station in Moers.
Onderweg daarheen bemerkten de Naarders dat de Duitsers
overal bezig waren om bij de boeren paarden te vorderen voor hun
veldartillerie.
Ze zagen ook Duitse soldaten: "In hunne nieuwe
veldgrauwe uniformen met helmen op en laarzen aan". Alleen de terugweg
van Moers naar Schaephuisen, kwam Willem
Door dorpen "In volle feestdos, daar werd gevlagd en
zelfs de klok geluid". Op zijn vraag wat dit te betekenen had,
antwoordden uitgelaten dorpelingen hem dat de Duitsers glorieuze
overwinningen hadden behaald.
De gehele Russische vloot was vernietigd, 20.000
Franse vijanden gevangen genomen de bevriende Oostenrijkers hadden
hetrzelfde gedaan met 20.000 Serviërs en het gehele Servische Hof in
hechtenis genomen. . Toen Willem tegenwierp dat hij hun blijdschap wel
wat wrang vond en bovendien aan de successen twijfelde, werden de
dorpelingen kwaad en achtte hij het na een scheldpartij maar beter om
door te lopen. Buiten het dorp ontmoette Willem nog een ‘Hollandse
huzaar’, die hem wist te vertellen dat hij van de 'Hollandsche consul'
vernomen had, dat in Holland iedereen die dienstplichtig was onder de
wapenen moest komen. Willem’s hoop om buiten het leger te blijven, kreeg
een behoorlijke knauw.
Terug op de Molkerei in Schaephuysen kon hij nog net
afscheid nemen van zijn baas, Ook deze had ‘Wehrpflicht’, moest direct
het leger in en stond op het punt te vertrekken. "Met een Auf
wiedersehen ging de baas weg, ach hoe weinigen zullen dat
wiedersehen beleven".
Willem zag die roerige dagen drommen Duitse mannen
vergezeld van hun vrouwen, mismoedig naar het station gaan "allen met
roodgeweende oogen, zwijgend naast elkander".
Het vaderland roept
In
overleg met zijn neef Bertus nam Willem zich voor om naar de Nederlandse
consul te gaan om te vragen hoe de voor hem de nou precis in de steel
zat. Voordat het zover kwam, toonde een andere Nederlander, die in de
buurt werkte hem een Duitse krant met een oproep.
"in de Hollandsche taal, door de consul daarin
geplaatst en daar stond zwart op wit dat Hare Majesteit de algemeene
mobilisatie bevolen had van de Land- en Zeemacht".
Door dit onzalige bericht werd Willem’s laatste sprankje
hoop, om buiten schot te blijven, definitief de bodem ingeslagen. Zijn
militaire plunje had hij lang geleden al ingeleverd en begin 1914 – en
dat was deze week – zou hij officieel vrij zijn gelomen van alle
dienstplicht/ Maar nu, nu was er geen ontkomen meer aan, het vaderland
had hem nodig, hij had zijn plicht te vervullen.
Na een ontroerend afscheid van de achterblijvende
Schweizers, wende hij tot neef Bertus Krijnen, die hem zou vergezellen
op weg naar huis. Hij ging zich melden.
"We togen op reis, neef en ik, alles achterlatend,
alleen ons beste pak aan en de fiets bij ons en ons geld. Al het andere
lieten we bij de boer staan. Waarom? Och we dachten; worden we
doodgeschoten dan hebben we toch niets meer noodig en overleven we de
crisis dan zullen we het wel eens komen halen. Zoo kwamen we dan aan het
station waar we dikwijls geweest waren om neefs of vrienden naar de
trein te brengen of zelf ons in de trein te begeven om een acht of
veertien dagen naar huis te gaan".
Problemen aan de grens
In normale tijden vertrok de trein vanuit Moers 14.30 en
zouden de jongens om 19.00 uur op het station Naarden-Bussum aankomen.
Nu was daar geen sprake van. Al het personenverkeer lag stil.
De beiden Schweizers besloten daarom maar op de fiets
naar Venlo te gaan. Een fietstochtje van anderhalf uur en ze zouden daar
zijn. Vanuit Venlo zouden ze de reis naar huis dan met de trein kunnen
voortzetten.
Maar helaas, net buiten het dorp Schaephuysen werden ze
al aangehouden door de mannen van de plaatselijke ‘Feuerwehr ’, die alle
wegen rond het dorp controleerden en hen, ondanks het vertonen van
geldige papieren, voor verdere controle naar het ‘Buergermeisteramt’
commandeerden. In de volgende dorpen herhaalde zich deze tijdrovende
procedure.
Pas laat in de middag kwam eindelijk de grens van Venlo
in zicht Maar :
" oh wee, daar wilden ze ons absoluut net Duitsland uit
laten".
De Duitse douane eiste een bewijs waarin stond dat zij
voor de militaire dienst in eigen land waren opgeroepen. Alleen op
vertoon van dat papier zouden ze de grens mogen passeren.
De jongens werd bevolen de Nederlandse consul in het 50
km verderop gelegen Kleef te bezoeken die hun dit bewijs kon verschaffen.
Via
Kevelaer en Kleef naar Naarden
Daar
het al laat was om Kleef nog op tijd te bereiken, besloten de Naardense
neven door te fietsen naar het halverwege in de richting van Kleef
gelegen bedevaartsoord Kevelaer om te proberen daar logies te vinden.
"Daar waren we nogal bekend, omdat we ieder jaar er
naar toe gingen als de Gooische Processie er was, want dan troffen we
altijd familieleden en bekenden".
Maar onderweg kregen ze bandenpech
en werden ze bovendien geteisterd door zware onweersbuien. Kleddernat
met bemodderde kleren bereikten ze ’s avonds laat Kevelaer, waar ze in
een Gastwitsschaft hun kleren mochten drogen, wat te eten kregen en de
nacht doorbrachten.
De volgende ochtend vervolgden ze de reis per trein, de
fietsen gingen mee. In Kleef aangekomen bleek de wachtkamer van het
consulaat met vijftig lotgenoten afgeladen.
Maar de consul en zijn assistent schreven en stempelden
er lustig op los.
Eenmaal in het bezit van het vereiste document werd de
reis per fiets door een prachtig heuvellandschap in de richting van
Nijmegen voortgezet. Op vertoon van het oproepbevel werd de grens bij
Berg en dal probleemloos gepasseerd. Ze waren thuis in eigen land.
De oude keizerstad werd in de namiddag vlot
binnengepeddeld, maar bij het station aangekomen, bleek de eerstvolgende
trein pas om 19.30 te vertrekken. Ze besloten daarom de stad wat te gaan
verkennen. Het was onrustig in het centrum, veel pratede burgers op
straat en daar tussen wemelde het van de militairen.
"Toen we dan eindelijk om half acht van Nijmegen
vertrokken, trof ons al direkt het bevel dat bij de overgang van de Waal,
alle ramen van de coupé's dicht moesten, zulks met het oog op de
toestand van de brug, die heelemaal klaar lag om in de lucht te vliegen
Zoo kwamen we dan ten laatste in de nacht van Donderdag
op Vrijdag 7 Augustus om half één in ons dierbaar stadje Naarden aan .
Onderweg hadden we al gelegenheid om de vruchten van de mobilisatie te
aanschouwen. Al die mooie boomen langs de Laarderweg waren meedoogenloos
omgehakt, de ondereindjes stonden er nog. Ook had men al eenige huizen
gesloopt …. ‘
Een militaire
verrassing en een dooie boel
Eenmaal thuis
werd Willem door zijn moeder en de andere familieleden hartelijk
verwelkomd. De legerleiding bleek bovendien een verrassing voor hem in
petto te hebben. Toen zijn moeder hem het toegezonden militaire
zakboekje overhandigde, bleek dat hij was gelegerd in …… de kazerne
Oranje te Naarden. Een geluk bij een ongeluk, maar het weerzien met
Naarden bleek voor Willem toch geen onverdeeld genoegen.
“Het was een
dooie boel hier in de stad. De tram mocht er niet door en niemand kon
van buiten de stad binnenkomen tenzij met een zoogenaamde pas en wij
militairen mochten er heel niet uit. Het was dan ’s avonds kolosaal druk,
want dan kwamen er veel familieleden en bekenden van de soldaten over,
doch vooral ’s Zondags was het enorm. Doch na een paar weken kwam daarin
verandering, want op den duur had dat toch niet goed gegaan om al die
soldaten maar steeds thuis te houden en daarom werd toegestaan dat elke
dag een zevende gedeelte met verlof kon gaan. Toen was het met de
grootste drukte uit, en eindelijk mochten we ook ’s avonds de stad uit,
maar ’s avonds om 9 uur binnen. Later werd het 10 uur en met 1 Februari
11 uur”
Voor
Willem (Lambertsz) de Gooijer en zijn meeste neven was de
mobilisatietijd aangebroken. Het zou een tijd worden van paraatheid en
weinig actie, want Nederland bleef gelukkig buiten de oorlog. In de
familiealbums staan de Naarder Schweizers
niettemin
krijgshaftig afgebeeld. Enkele beelden zijn in dit verhaal opgenomen.
Toen de oorlog
in 1918 was afgelopen, koos iedere ex-Schweizer zijn eigen weg.
Een aantal
keerden terug in het vertouwde boerenvak, enkele andere werden
politieagent, postbode of gingen in een fabriek werken.
_________________________
ONDERSTAANDE NOTEN: HEBBEN
NIET GESTAAN IN ‘DE OMROEPER ‘ VAN NAARDEN - 2003 nr. 3.
1.
DE HOLLANDGÄNGEREI. Gerda F. van Asselt.
2.
TOEN IK
NOG JONG WAS. Hoofdstuk: Het water, hannekemaaiers en nog wat.
(blz.
15 t/m 67).
Justus van Maurik (1846-1904) (Schetst een negatief beeld van de
hannemaaiers . Het negatieve beeld kan ontstaan zijn door de werkelijke
laagstaande en verachte Duitsers, die eeuwenlang door hun potentaten
werden verhuurd aan het Staatse Leger van ‘onze’ Republiek.
3.
VREEMD GESPUIS. Hoofdstuk: Poepen, knoeten, mieren en
moffen. (blz. 29 t/m 37) (de negatieve houding t.o.v. de
hannemaaiers blijkt niet veranderd te zijn)
4.
DE LAGE LANDEN AAN DE ZEE (blz. 155 en 159) Jan en Annie
Romein.
5.
GESCHIEDENIS VAN NEDERLAND 1850-1925. (blz. 126 en 133)
Prof. dr. L.G.J. Verberne.
6.
MEYERS KONVERSATIONS LEXIKON 1889, HERDERS KONVERSATION
LEXIKON 1905. Schweizer wodt omschreven als (Landwirtschaft) der
Leiter einer Schweizerei (=Hollaenderei) bisw. Viehaerter. (In
de Nederlandse woordenboeken staat hun Duitse
tegenhanger negatief omschreven )
7. Einde 19e eeuw kwam er meer welvaart in
Zwitserland, terwijl in Nederland de landbouwcrisis
heerste door de goedkope aanvoer van graan uit de USA. Ook
werden de eerste landbouwmachines werden ingevoerd. In Nederland was
dus een overschot aan landarbeiders.
8. Naar mijn mening (FdG) werd vooral in Noord Duitsland
gesproken van Hollaenderei en in het de omgeving van het Roergebied
van Schweizerei.
9. GOOISCHE VILLAPARKEN – Ontwikkeling van het
buitenwonen in het Gooi tussen 1874 en 1940. -- uitg.
Schuyt & Co -- ISBN 90 6097 277 5
10) Hein Willemsz de Gooijer was meentbeambte op de
Naarder Meent. Hij had vee en hield een stier voor de koeien van de
Naardense erfgooiers. In het weideseizoen maakte hij met zijn stier
zijn ronde over de Meent. Om zijn komst aan te kondigen blies hij op
een grote Ossenhoorn. Tijdens de stalperiode brachten de erfgooiers
hun koeien naar zijn boerderij. Door de spleten van de schutting genoot
de jeugd van het schouwspel.
11. De vesting Naarden werd door het Napoleontische
Franse leger bezet gehouden. Het pas opgerichte Nederlandse leger
belegerde de Vesting van November 1813 tot 12 mei 1814. De Fransen
trokken toen vrijwillig weg, nadat een Franse gezant hen de val van
Napoleon kwam melden.
12. Herman Heinsz de Gooijer werd ‘Herman van de
Bullenboer’ genoemd, om geen verwart te worden met zijn neef Herman (Jansz)
de Gooijer. Beiden waren vernoemd naar hun grootvader Harmen Krijnen.
Herman Heinsz de Gooijer werd later hoofdopzichter bij Stad en Lande
van Gooiland. Om de neven in Duitsland uit elkaar te houden kreeg
Herman Jansz de bijnaam Charl.
AFBEELDINGEN:
-
In Duitsland liet Bep Lambertsz Krijnen deze foto maken, waarop hij
heel trots poseert met zijn in Duitsland verdiende fiets.
-
Groepje feestvierende Schweizers tijdens het regeringsjubileum van
keizer Wilhelm II in 1913. In het midden Herman Jansz de Gooijer. Rechts
boven met bolhoed Rijk Lambertsz de Gooijer.
-
Ansichtkaart met
op de achtergrond een 'Molkerei', in 1906 verzonden door Willem Heinsz
de Gooijer.
-
Poserende
Schweizers. Links zittend Willem Lambertsz de Gooijer, links
staande Bep Lambertsz Krijnen en rechts staande Willem Heinsz de
Gooijer.
De
Omroeper nr. 3 2003 door F.J.J. de Gooijer