Free Web Hosting by Netfirms
Web Hosting by Netfirms | Free Domain Names by Netfirms

 

12/08/02

 Home
Geschiedenis
Erfgooiers
Koptienden
Kronieken
Verpondingen
Bestuur
Gerecht
Landkaarten
Overheid
boerderijen
Weilanden
Landbouw
Wevers en blekers
Stambomen
Beroemdheden
Kunstschilders
Gooijer verhalen.

 

 
Hit Counter
People have
visited my page!

 

             

ZUIVELWINKELS OP EEN KLUIT DOOR HET MELKBESLUIT

 

 

Van vee- tot melkboer

Door de toename van de forenzen in 't Gooi, nam de beschikba­re landbouwgrond af. De engen rond de dorpen werden het eerst volgebouwd met villa's en woningen. De boeren konden dus minder gewassen verbouwen voor zichzelf en het vee. Het vroe­gere gemengde bedrijf moest worden opgegeven. Alleen de ge­meenschappelijke weiden stonden de erfgooiers nog ter beschik­king. Het schaar koeien per boer, dat geweid mocht worden, was echter te klein om daarvan als veehouder te leven. De behoefte aan melk was door de bevolkingsaanwas echter toegeno­men. Het gevolg was, dat de kleine veehouders zich gingen toeleggen op de detail zuivelhandel. Oorspronkelijk door middel van verkoop vanaf de boerderij aan de directe omgeving. In de Vesting waren rond 1930 wel zestien veehouders en alleen de zuivelwin­kel van N. Streefkerk in de Marktstraat. Voor de zuivelhandel was die markt te klein. De woonwijken van Bussum en later de nieuwbouwwijken van Naarden, werden het werkter­rein van de melkventende vestingboeren. Ook de boeren uit de omliggende dorpen ventten daar. De onderlinge concurrentie in de melkbe­zorging was groot. Vooral in de villawijken was de Modelboer­derij Oud-Bussem een geduchte concurrent, niet met de prijs maar met de kwaliteit. Ds. Drijver maakte in zijn boekje 'Naarden' zelfs reclame voor Oud-Bussem. Hij schreef, dat dankzij de hygienische maatregelen aldaar, deze rauwe melk gedronken kon worden zonder schadelijke gevolgen. De melkprijs vermeldde hij niet, die was vele malen duurder dan die van de 'scharrel'-boerderijen.  De literprijs van deze modelmelk zou f 0,80 tot f 1.- zijn geweest. In 1934 kostte de melk voor 'Jan met de Pet' een dubbeltje per liter. (Toen was de minimum werkeloosheidsuitkering voor een gezin van 4 personen f 15,50 per week). Het kwaliteitsverschil van de melk werd langzamer­hand ingelopen door de levering via de roomboterfabriek 'Gooi­land' aan de Galgesteeg. Ieder probeerde klanten te werven. In iedere straat kwamen meerdere melkbezorgers, want van vaste wijken was nog geen sprake. Het was dus een tijdrovende bezig­heid om al die verspreid wonende klanten te bedienen. De beperkte houdbaarheid van de melk in die tijd leidde er toe, dat ook zondagsmorgens werd gevent. Dan te bedenken dat vooral door het afrekenen op zaterdag, het bijna middernacht was wanneer de taak erop zat.

 

Het melkbesluit

De crisistijd in de jaren dertig maakte de concurrentie moor­dend. De overheid kwam met allerlei maatregelen, zoals kwali­teitscontrole tijdens het bezorgen. Ook de verkoop vanaf de boerderij werd uit hygienische gronden aan wettige regels gebonden. In 1933 kwam de overheid met het zogenaamde melkbe­sluit. Voortaan mocht vanaf de boerderij slechts 20 liter melk per dag aan de omwonenden verkocht worden. Als deze norm werd overschreden, was men verplicht een winkel te openen. Dit melkbesluit betekende voor de Vesting de komst van verschil­lende nieuwe melkwinkeltjes naast de reeds bestaande. Sommige zuivelwinkels stonden vlak naast en bij elkaar. Bijvoorbeeld die van J. Krijnen en W.H. de Gooijer in de Vitusstraat. 'Om de hoek' lagen letterlijk en figuurlijk twee soortgelijke winkels. In de Cattenhagestraat die van W. Kos en in de Pas­toorstraat stond met grote letters op de ruit:

'G. v.d. Roest' (Tot grote hilariteit van de jeu­gd).

Ten oosten van de Marktstraat had H. den Hartog in de Regen­boogstraat het rijk alleen. Twee van de genoemde winkels hebben het tot nu (1992) toe overleefd, die van H. den Hartog en van W. de Gooijer jr.

De winkel van mijn vader, H.W. de Gooijer, werd in 1934 inge­bouwd in onze boerderij aan de Bussummerstraat. Een kostbare investering in verhouding tot de baten. De oorspronkelijke baanderdeuren moesten plaatsmaken voor de winkelpui. De helft van de daarachter liggende deel werd benut voor de bouw van het winkeltje met een vloeroppervlak van 10 vierkante meter. De winkelruimte bestond uit een etalage en een L-vormige toonbank, die evenals de vloer van graniet was. Bovendien was er een wastafel met kraan. Waarschijnlijk leken al die nieuwe winkeltjes als druppels water (of melk) op elkaar. Een grote klandizie zullen ze niet gehad hebben. Zowel binnen als buiten de Vesting werd melk aan huis bezorgd en andere dan zuivelpro­ducten werden niet verkocht. Ook de onvermijdelijke etalage-attributen zullen wel gelijk geweest zijn, zoals de grote klokvormige glazen houder met eieren en de glazen kaasstolp. Verder was er een kaasschaaf en een weegschaal. Een kassa hadden we niet. Met Pasen werd de stenen kip zittend op een dito nest, omringd met nep-kuikentjes, in de etalage gezet. Ook waren er dan, traditiegetrouw, eigengemaakte (room)boter­lammetjes.

 

Strooptocht naar duiten

Druk was het dus niet in onze winkel. Ging de winkelbel, dan moest mijn moeder eerst van 'achteren' komen. Dat duurde wel even, afhankelijk vanwaar ze moest komen. De klant moest dus even wachten. Winkeldiefstal kwam, ondanks de armelijke toe­standen in de Vesting, weinig voor. De gelegenheid maakt soms de dief. Een oud mannetje met behoefte aan een borreltje deed een graai in de geldlade. Daartoe moest hij zich over de toonbank heen buigen, daarbij werd hij op heterdaad betrapt. Een nare zaak voor alle betrokkenen. Om dit in de toekomst te vermijden, werd in de geldlade een bakje stroop geplaatst. Het had een gunstig effect. Slechts één vrouw waagde op de tast een greep in de la en probeerde na de komst van mijn moeder te strooplikken. Ondanks de narigheid was eerlijkheid regel. Met de evacuatie van de Vesting in mei 1940 zette mijn vader zijn hele voorraad buiten op het erf. De achtergebleven soldaten konden het wel gebruiken, meende hij. Bij terugkeer bleek maar weinig te ontbreken en zelfs dat kwamen de klanten eerlijk afrekenen.           

 

Duit in het zakje en de meter

De klant was koning. Op zondag kwam men wel achterom voor zuivelproducten of een gasmuntje. Vaak ook voor 'plakken' oftewel 'vierduitstuk­ken'. (1) Deze twee en een halve cent­stuk­ken, werden gebruikt als 'gasmunt op afbetaling' (2) of als kerkegeld voor de kinderen. In verband met de zondagshei­liging werd door sommige klanten op die dag niet betaald. Deze incon­sequente houding beperkte zich niet tot kerkelijke ge­zindten. Mijn vader moest bij een 'rooie rakker', een voor­vechter van de achturendag, zondags­morgens stiekem achterom komen. Aan de deur afleveren kon het morgenrood op zondag niet verdragen.    

 

Nieuwe orde, lege borden

Na de Duitse bezetting kwamen er steeds meer distributiebonnen om het schaarse voedsel te verdelen. Als ontspanning moest het kroost van de winkelier dan 's avonds de ingeleverde bonnen op grote vellen papier plakken. Op het distributiekantoor werden die dan ingeleverd in ruil voor een toewijzing ten behoeve van een nieuwe voorraad. Natuurlijk kreeg ook agrarisch Nederland al vroeg te maken met allerlei nieuwe instellingen en maatre­gelen, die ingevoerd werden. Na de oorlog bleven deze instel­lingen, zoals het Landbouwschap, gehandhaafd. Ten behoeve van de bezetter en de voedselvoorziening moesten regelmatig koeien geleverd worden. Dat slachtvee moest naar het abattoir worden gebracht, soms zelfs naar Hilversum. Ik zie me nog met zo'n koe lopen, midden op de 'betonweg' (Lage Naarderweg), met mijn vader op de fiets er achter.

In 1943 kwam de maatregel, waarbij het verboden werd dat één persoon de twee beroepen veehouder en melkboer uitoefende. Mijn vader moest dus kiezen tussen de boerderij of de zuivel­handel. Verstandelijk vond hij dat de zuivelhandel toekomst had en niet de vestingboerderij. Hij had al een koper gevonden voor zijn vee. Vlak voor de verkoop kon hij 's nachts niet slapen. Hij kon het niet over zijn boerenhart verkrijgen zijn koeien te verkopen. De volgende dag heeft hij toen de verkoop afgezegd. De melkwijk van mijn vader en zus moest worden opgegeven, al dacht iedereen dat het een bezettingsmaatregel was. Tegen mijn zus zeiden de klanten: "Na de oorlog kom je maar terug!" De melkwinkel volgens het melkbesluit had toen negen jaar dienst gedaan, de kosten zijn er nooit uitgekomen.

 

Noten:

(1)  De stuiver van voor 1800 was onderverdeeld in 8 duiten. Het muntje van          een halve stuiver was dus 4 duiten waard en werd een vierduitstuk ge-       noemd.  Na de invoering van  het decima­le geldstelsel  ging  die naam       over op  het bronzen  twee en halve cent stuk.  Tijdens de bezetting kwam er nog   een zinken uitvoering van.

 

(2)  In de woningen stonden vroeger munt-gasmeters. Een gasmuntje kostte in       1933 negen cent  en was goed voor 1 kubie­ke meter gas.  Het vierd­uit­       stuk was even groot als een gasmunt­je. Het moest alleen voorzien wor- den van een uitsparing om in de meter te kunnen.  Deze (geld­)no­odmunt       gaf tijde­lijk uitstel van betaling,  als de meteropne­mer kwam moesten        deze 'nep' gasmun­ten worden afgerekend.     

 

 

 

   VHNO9201.ZUI  DE OMROEPER, JANUARI 1992, JRG. 5, NR. 1. [PAG. 30/34]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

   
   

Photo Album

Communities & Forums

Look at my new online photo album filled with pictures from my vacations, sporting events, and my family.
bulletMSN People & Chat

This site was last updated 12/08/02