|
|
|
![]() |
||
12/08/02 |
|
|
GEGOEDE LANDGENOTEN, SLECHTE LOTGENOTEN
DE LOTING
In het kader van 'Blaricum 1840' zijn ook de militieregisters 'opengetrokken'. De lotingslijsten zijn o.a. een graadmeter voor de gezondsheidstoestand van de toenmalige mannelijke bevolking. Op deze lijsten werden de persoonlijke gegevens van de lotelingen vermeld. Iedere mannelijke inwoner van 19 jaar werd eerst door het gemeentebestuur op een zogenaamde 'Alphabetische lijst' gezet. Nadat deze was goedgekeurd door de militiecommissaris, werd met de loting begonnen. In 1840 namen daaraan deel in Blaricum, zeven jongemannen geboren in 1821 en zes die enkele jaren ouder waren. De laatsten waren 'ingeschrevenen van vroegere classe', die eerder tijdelijk uitstel gekregen hadden. Deze officiele openbare gebeurtenis werd geleid door de militiecommissaris. Hij nam bedrukte biljetten met de cijfers 1 t/m 13 en zette daar zijn paraaf op. De loten werden opgerold en in een glazen fles gedaan. In alfabetische volgorde moest de loteling een lot trekken. Het nummer werd met luide stem afgeroepen. Na de loting werd van de jongelieden de lengte en het signalement opgenomen. Samen met de eventuele redenen van vrijstelling werd dit in het register opgetekend. Reden tot vrijstelling was: Lengte kleiner dan 1,55 m, het hebben van gebreken, enig wettig kind zijn, broederdienst enz. Uiteindelijk werden van de vier goedgekeurde Blaricummers er twee ingeloot. Van deze twee ging alleen Lambert Vos in militaire dienst. De ander, Meeuwis Raven, kocht een remplacant. 6) Bij notaris Perk werd hiervan een akte opgemaakt. Zo'n plaatsvervanger was een dure klant, Meeuwis betaalde en Jan Does nam zijn dienst over. dat jaar waren er naast Meeuwis nog tien anderen uit de omgeving die bij Perk zo'n akte lieten opmaken. Één van hen kocht een remplacant voor zijn zoon Jan Reinoud en staat trots in de akte vermeld als: "de Hoog Edelgestrenge Heer Meester Jan Corver Hooft, Staatsraad, lid van de Staten Generaal, gedomiliceerd op de Hofstede Gooilust te 's Graveland". Ondanks zijn dure naam betaalde hij slechts f 210.-. Het hoogste bedrag van f 400.- werd betaald door de kastelein van het Polderhuis te Weespercarspel. De meeste remplacanten waren Hilversumse wevers, die dit handgeld naast hun soldij ontvingen. Ter vergelijking, een Blaricumse boerderij kostte toen f 500.-.
GEEN GELD, GEEN ZWITSERS
Het leger van koning Willem I probeerde vrijwilligers te werven in binnen en buitenland. Die pogingen waren tevergeefs, want er werd slechts een schamel handgeld van f 30.- geboden. Willem's Zwitserse regimenten werden ook te duur en daarom eind 1828 ontslagen. Ten slotte verlieten in 1830 de Zuid Nederlanders (Belgen) massaal het leger. Bij de bevolking was het leger niet populair. Buiten enkele adelijke families, die traditioneel hoofdofficieren leverden, ging wie betalen kon niet in militaire dienst. Er werd zelfs geknoeid bij de loting en men sloot onderlinge verzekeringen af om een remplacant te kopen. Die houding had niets te maken met pacifisme, maar was het gevolg van twee eeuwen Staats huurleger. Enkele stadhouders hadden een vookeur voor hoofdzakelijk Duitse-, maar ook Schotse- en Zwitserse huurlingen. De officieren kwamen voort uit militaire adel uit Duitsland, Frankrijk en Engeland. Het leger wortelde niet in de samenleving en had in 1830/40 nog een slechte naam. Napoleon had daar met zijn 'Grande Armee' ook aan bijgedragen. Minstens één Blaricummer, Lambert Willemsz Vos, kwam om als 'Garde Solde'. Juni 1812 overleed hij in het Binnengasthuis te Amsterdam.
DE 'BELZE OPSTAND'
Zelfs arme Blaricummers namen een remplacant. Van 1828 tot en met 1841 moest dertig man in dienst, daarvan kochten er twaalf een plaatsvervanger. Mogelijk was dit ook een gevolg van de 'Belze Opstand' van 1830 en de nasleep tot 1839. De nationale begeestering in Noord-Nederland ging gepaard met een golf van anti-papisme. In Twente kwam het tot opstootjes, in Hilversum en Laren schijnt dienstweigering te zijn voorgekomen. Begrijpelijk, dat Blaricumse boerenjongens niet het (kortstondige) enthousiasme konden opbrengen als de studenten van de weerbaarheidscorpsen. Als gevolg van de Belgische opstand werd het Noord-Nederlandse leger samengetrokken in het kamp van Rijen. (tussen Breda en Tilburg) Van hieruit begon in augustus 1831 de 'Tiendaagse Veldtocht'. Eerder waren er al schermutselingen geweest en ook de legering eiste slachtoffers. De Blaricummer Teunis Vos, stukrijder bij de veldartillerie, overleed 27 mei 1831 te Breda. De voormalige schaapherder verruilde zijn Grote Stille Heide voor de Eeuwige Jachtvelden. Triest was, dat Teunis als 'enige onwettige zoon' in dienst moest, terwijl iedere 'enige wettige zoon' vrijstelling kreeg. Verder stierven nog twee Blaricummers, de infanterist Jan Vos in 1838 en Jan Heerschop in 1830. Misschien overleden er in die periode meer Blaricummers in militaire dienst. 'Het Register houdende notulen van de vergaderingen van de Municipaliteit, later 'Raad 1803-1844' geeft geen uitsluitsel. Nergens staat een notitie over de Belgische Opstand. Nergens een vermelding of opmerking over het overlijden van Blaricumse soldaten tijdens deze periode. Wel staan er vreselijk veel artikelen in over belasting op alles en nog wat ... en de boeten ... Dan te bedenken hoe bombastisch men kon reageren op van Speyk's "Dan liever de lucht in".
LEVENSKANS
Blaricum had destijds een honkvaste (RK) bevolking. Uit de lotingslijsten is ongeveer af te leiden hoeveel geboren jongetjes hun negentiende jaar haalden. (het bevolkingsregister bestond nog niet) Daarom is het doopregister van 1816 t/m 1822 vergeleken met de lotingslijsten van repectievelijk 1835 t/m 1841. Er komen voor: 96 dopelingen tegen 44 lotelingen, er ontbraken dus bij de loting 52 jongens. 31 dopelingen waren overleden en 10 waren onvindbaar, 11 dopelingen stonden na hun 19e wel in het eerste bevolkinngsregister van 1850. Mogelijk waren een aantal van deze jongemannen elders als knecht werkzaam en hadden aldaar geloot. Van de Blaricumse lotelingen is het signalement opgetekend. Dat wil zeggen, vorm van hoofd, kin, neus, mond en de haarkleur. Het lichaamsgewicht is niet opgenomen. Opvallend is de kleine lengte van de 19 jarigen. Volgens de statistieken nam de lengte van de nakomende lichtingen nog verder af. De vereiste minimum lengte voor Grenadiers zakte van 1,72 naar 1,70 in 1830 en tot 1,67 in 1866. Oorzaak waren de slechte levensomstandigheden. Ook in het leger werd men niet gezonder. Ten minste één Blaricummer werd uit de dienst ontslagen wegens ongeneeslijke hoofdzeer.
GESCHUTTER
De dienstplicht voor de militie gold van 18 tot 24 jaar. Gedurende die periode mocht niet getrouwd worden. Dit kon aanleiding geven tot ongewenste situaties, hoewel de meeste Blaricummers na die leeftijd trouwden. In verband met de Belgische troebelen duurde de werkelijke dienst langer dan het verplichte jaar in vredestijd. Na het 23e jaar was men nog tien jaar schutterij-plichtig, ook hiervoor werd geloot. De schutters waren plaatselijk gebonden en resorteerden onder een schutterij raad. Het gemeentebestuur droeg uiteindelijk de verantwoording. Bij binnenlandse onlusten konden de schutters worden ingezet. In 1843 gaf de gemeenteraad van Blaricum in totaal f 25.- uit voor de rustende schutterij, mogelijk om moed in te drinken. Niet voor niets zong men over deze mannetjesputters: "Wat hebben ze een branie, wat hebben ze een lef, dat komt van de bitter en het plichtsbesef".
________________________________
GERAADPLEEGDE BRONNEN
1. De eenwording van Nederland. Hoofdstuk 'Voor Vaderland en Oranje'.
2. Noordhollandse schutters in 'de Belze' opstand van 1830. Th. W. Polet e.a. 1990. Uitg.: Ned. Genealogische Vereniging, afd. Noorderkwartier.
3. De Militieregisters 1815-1922. door B. Koerhuis en W. van Mulken
4. Militieregisters en Lotingslijsten van de gemeente Blaricum. Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum.
5. Wetten betreffende de Nationale Militie 1877. Blz. 153 - 3e vrijstel- ling: "die eenige wettige zoon is onverschillig is of de ouders in leven of overleden zijn".
6. Een remplacant voor Meeuwis. door G.Th. Adema in het Mededelingenblad van de Historische Kring Blaricum (nr. 11, blz. 6.nr.)
VHBH9305.LOT HISTORISCHE KRING BLARICUM MEI 1993 NR. 17
|
This site was last updated 12/08/02