Landbouw
HOOIBOUW BIJ DE
NAARDER VESTINGBOEREN
Veel vestingboeren haalden vroeger hun hooi uit de Buitendijken, het gebied
tussen de voormalige IJsselmeerweg en Muiderberg. Dit gebied was eigendom
van de Hervormde kerk van Naarden en het Pater Wijnterfonds (het
Burgerweeshuis) Dit buitendijks gebied werd 's winters overstroomd, voordat
in 1932 de Afsluitdijk werd aangelegd. Het zeewater stroomde dan over de
zomerdijk en liet een laagje vruchtbaar slib achter. Soms ging de zee te ver
en brak door de Westdijk, zoals de winterdijk ter plaatse heet. De
verschillende 'wielen' achter de dijk herinneren hier nog aan. Bij een
doorbraak werd er veel zand uit de ondergrond los gewoeld en achter het
dijkgat neergelegd, dit in tegenstelling tot het kleilaagje dat voor de dijk
werd afgezet. Door het sliblaagje werd het weidegebied jaarlijks bemest en
vruchtbaar gehouden. De kwaliteit en de opbrengst van het gras kwam dat ten
goede. Het was een gewild gebied bij de boeren die het pachtten. De
begaanbaarheid was echter voor de jaren dertig slecht. Het straatweggetje
over de zomerdijk naar Muiderberg bestond toen nog niet. Dat betekende
vooral voor de hooiwagens een hindernis, ze moesten een grote afstand
afleggen over het onverharde pad. Om die reden was de pachtprijs lager
naarmate het perceel dichter bij Muiderberg lag.
Mijn grootouders, Jan en Klaasje de Gooijer, pachtten het perceel dat aan
Muiderberg grensde. Mijn vader, Herman de Gooijer, nam deze pacht later
over. Op de kadasterkaarten van 1940 tot heden is de ligging direct terug te
vinden, omdat naast dit perceel een tankgracht werd aangelegd. De plek van
de vroegere inlaatklep, aan de Gooimeer zijde, heeft men gemarkeerd. Zelfs
op luchtfoto’s is het herkenbaar. Tegenwoordig ligt op dit terrein een
woonwijk van Muiderberg, naast de op- en afrit van de Hollandse Brug. Na
1932 moest het land bemest worden; een hele rit met de mestkar. Gelukkig lag
er toen een klinkerweggetje, maar de afstand van de vesting tot ons perceel
was 5 kilometer. Daarom werden er 'droge' koeien, 'vetweiers' en pinken
geweid. Maar hoofdzakelijk bleef het in gebruik als hooiland. In de
vijftiger jaren reden er voor het laatst ouderwetse hooiwagens getrokken
door paarden. Hoe het er in die tijd aan toeging, wil ik trachten te
beschrijven.
Het hooiland
Na de Eerste Wereldoorlog waren de maaimachines gekomen. Zo'n maaimachine,
getrokken door een of twee paarden, gebruikte mijn vader bij het maaien in
de Buitendijken. Deze machine had hij samen met twee vestingboeren en
leeftijdgenoten, Kos en Maas, gekocht. Met deze boeren werkte mijn vader
veel samen, ze gingen zelfs samen melken. Naast het hooiland in de
Buitendijken pachtten veel vestingboeren, dijken, kaden, bermen en de
vestingwallen. Bij de bermen en kaden kon nog gebruik gemaakt worden van de
maaimachine, bij de wallen en dijken was men nog steeds aangewezen op het
maaien met de zeis. Mijn vader pachtte ook wallen, onder andere bastion Oud
Molen en Fort Ronduit. Daarnaast pachtte hij de Zanddijk met de 'Overlaat',
de fortweg naar Ronduit, de 'Vuurlijn' met het zogenaamde 'Moordpaadje' en
de bermen met de kuststrook langs het IJsselmeer tot aan Muiderberg.
Het maaien
De wallen werden dus met de zeis gemaaid, echt zwaar handwerk. Om goed en
snel te kunnen maaien, was het noodzaak dat de zeis steeds scherp was. Dit
werd niet bereikt door slijpen op een sten, maar door het 'haren' met het
zogenaamde 'haargerei'. Het haargerei was een tweedelige set: hamer en spit.
De hamerkop was een naar twee kanten toelopende slagpunt, enigszins afgerond,
ongeveer 5 cm breed. Het spit was een klein aambeeldje, een stalen pen met
een vierkante kop, iets bollend, 5 x 5 cm, met 12 cm onder de kop een oog
waardoor een pennetje kon, om het wegzakken tijdens het haren te voorkomen.
Om te haren ging de maaier op zijn 'platte gat' zitten, op een droog plekje,
benen gespreid, waartussen het spit iets schuin in de grond werd gedreven.
Door middel van een gevorkte tak werd de zeis in de juiste stand gebracht,
zodat het blad van de zeis midden op het spit lag. Door fijn gericht met de
hamer te tikken werd het staal van de zeis precies evenwijdig uitgeklopt. (koudsmeden)
In ongeveer twintig minuten werd de zeis gehaard en kon er weer een halve
dag mee gemaaid worden. Die halve dag gold voor een vlak weiland, voor de
wallen met oneffenheden, struiken en stenen, moest het haren vaker gebeuren.
Na ieder gemaaid 'zwad' (baantje) werd door middel van een 'strekel' het
snijvlak scherp gehouden.
Bij het maaien met de maaimachine met paardetractie langs de hellingen van
de weg naar Fort Ronduit, haalde mijn vader halsbrekende toeren uit. In de
Buitendijken was het voor hem met de maaimachine een fluitje van een cent,
daar moesten alleen de hoeken met de zeis gemaaid worden. Alles moest er
netjes af, want bij de jaarlijkse schouw werd daar opgelet.
Het hooien
Na het maaien lag het gras schuin over het land op stroken 'zwadden' genaamd.
Na een paar dagen zonnig weer, werd het gras met de 'houten hooihark'
gekeerd en de volgende dag werd het 'overal' gegooid, dat wil zeggen
helemaal verspreid om door te zonnen. Daarna werd het met de hooihark
geschud. als het dan goed droog was - hooi moet 'spoken' (ritselen) - harkte
men het op lange stroken, 'wiersen' genoemd. Mijn vader reed het hooi op
wiersen door middel van de harkmachine met een paardekracht. Vervolgens werd
om het einde van de wiers een dubbel touw geslagen, dat bevestigd werd aan
het paardetuig. Het paard trok de wiers bij gedeelten tot hooihopen. Van de
samengeschoven wiersen werden netjes afgeronde 'oppers' (kleine hooibergen)
gemaakt. Tien tot twaalf oppers waren een 'voer' hooi. De oppers konden
rustig enige tijd op het land blijven staan. Dat was ook wel nodig vanwege
het tijdrovende transport naar de boerderij. De afstand naar de boerderij
was lang, er moest 's avonds en 's morgens gemolken worden en ook het
bouwland moest worden bijgehouden. Maar het belangrijkste, het weer, kon
plotseling omslaan, daarom was de hooibouw een zenuwslopende tijd. Mijn
vader vermagerde zichtbaar in die periode.
Het opladen
Het opladen van een hooiwagen was niet zo eenvoudig als men zou denken,
vooral het gladde korte hooi vol distels van de IJsselmeerkust was moeilijk
te hanteren. Men moest ook zo kunnen laden, dat alles op de wagen bleef tot
thuis in de hooischuur. De vestingboerderijen waren voor de beladen wagens
een probleem apart. Het voer hooi moest zo groot mogelijk zijn, maar het
moest ook door de deuren van de hooischuren naar binnen. De doorsnede moest
passen in de deuropening, die 3 meter breed en 3,3 meter hoog was. De wagen
werd na het laden nog eens 'afgekamd' om aan die maten te voldoen. Bij het
transport mocht niets misgaan. Denk hierbij aan de vaak oude houten wielen,
het ontbreken van vering, de ontaard slechte wegen (vooral door het zachte
land) en bovendien de onstabiele topzware last. Het kwam wel voor, dat er
een lading kapseisde, soms door materiaalbreuk. Niet zo'n beste beurt, want
dan moest het hele pakket uiteen geplukt worden en opnieuw, eventueel,
geladen.
Tenminste twee man waren nodig om een voer hooi te laden: een 'schoter' om
met de vork het hooi aan te geven en een man op de wagen. Er werd begonnen
met het vol stouwen van de bak tussen de leren. Vervolgens kwamen de 'burriehouten'
erop om het oppervlak te vergroten, daarna begon het stapelwerk. De schoter
gaf steeds flinke vorken vol naar boven. Terwijl de vork omhoog ging,
draaide hij de vork een halve slag, zodat hij, als de lader het hooi greep,
de vork vlot kon terugnemen zonder de lader te bezeren. De lader verwerkte
het hooi tot een rol, die naar buiten uiteenlopend in dikte was . Deze
plaatste hij links voor op de burriehouten. Daarna een kleine rol in het
midden en vervolgens de rollen rechts voor. Zo werkte hij van voor naar
achter tot de wagen met een laag bedekt was. Een voer hooi had acht lagen,
er bovenop kwam nog een boomrol, zowel voor als achter. Daarna klonk voor de
schoter het verlossende : "Vol ! .... Geef de boom maar aan !" Dan werd de 'weesboom'
aan de lader toegestoken, die hij op z'n beurt aan de voorzijde iets nar
beneden stak, zodat de schoter de 'voorbaan' over de kop van de boom kon
leggen. Dan werd de boom naar achter gedrukt, alwaar de schoter de lus van
de 'achterbaan' over de boom gooide en de lus in de 'gorhaak' stak. Nu kon
men met twee of meer man de boom via de lus aansjorren, zodat het een hecht
en stevig pakket werd. Met de houten hooihark werd het voer afgekamd voor de
losse 'wissen' en om het netjes vierkant en pas te maken om door de
hooischuurdeur te kunnen. Een keer gebeurde het, dat tijdens het gorren de
weesboom brak. Een stuk van de paal sloeg op de rug van ons zenuwachtig
paard. Dit vond plaats op de weg naar Fort Ronduit. Aan n zijde lag de
gracht en aan de andere zijde een sloot. Gelukkig, door ervaring wijzer,
hield iemand het paard bij het hoofdstel.
Een mooi voer hooi was een sieraad voor de boer. Sommige laders waren een
meester in het vak! Mijn oom Bart Beijer wist zelfs van het korte gladde
hooi van de IJsselmeerkust een mooi voer hooi te maken. Mijn leeftijdgenoot
en neef, Wim de Gooijer, ontwikkelde zich ook tot een kundig lader.
Het transport
Vanaf Muiderberg naar de Vesting, trok een paard twee hooiwagens. De kromme
dissel van de achterste wagen werd met een ketting aan de voorste wagen
gekoppeld. Alleen bij het passeren van de dijkkruin werden de wagens
afgekoppeld. Het was een prachtig gezicht, die hoog geladen hooiwagens de
vesting te zien binnenrijden. Vaak lagen er jongens bovenop, die hadden
meegeholpen bij het harken. Vanaf die hoogte keken zij in de slaapkamers op
de bovenverdiepingen van de vestinghuizen.
Bij aankomst werden de hooiwagens voor een korte tijd op de straat voor de
boerderij geparkeerd. Vervolgens werd het paard uitgespannen en achterom
naar de paardestal gebracht, waar hij een emmer pompwater en voer kreeg.
Daarna kregen de mannen en jongens pas koffie en brood. De hooiwagen werd
vervolgens met vereende krachten door de grote deuren de hooischuur ingeduwd.
Vaak ging dat niet zo gemakkelijk, dan moest het voer op straat afgekamd
worden. Alleen de hooiwagen paste precies in de hooischuur, het paard kon de
wagen niet naar binnen trekken omdat de ruimte daarvoor te krap was.
De hooischuur
Bij de vestingboeren werd het hooi in de boerderij opgeslagen. Onze
eeuwenoude boerderij ‘Zwanenburg’ lag in de Bussummerstraat. De hooischuur
daar, bestond uit twee hooivakken aan weerszijde van de inrit. Het
rechtervak lag achter een 3,5 meter hoge muur en was 7 x 5,3 meter. Het
linkervak werd begrensd door de deel muur en een grote hanebalk naast de
inrit en was 7 x 4 meter. Als het hooi boven de hanebalk lag (3,5 meter
boven de grond), kon ook boven de 'slieten' van de deel hooi worden opgetast.
Men telde het aantal voeren hooi dat binnengehaald werd. Om de winter door
te komen was er vijftig voer nodig. Was de hooischuur vol, dan was de inhoud
van het ingezakte, aangestampte en ingedroogde hooi bij ons ongeveer 450
kubieke meter. Regelmatig werd gecontroleerd of er geen hooibroei optrad.
Een brandweerman kwam dan met een steekijzer waaraan een thermometer was
bevestigd. De temperatuur liep bij ons nooit te hoog op, vooral omdat er
veel gortdroog wallenhooi lag opgeslagen. Gelukkig maar, anders zou het
rampzalige gevolgen gehad hebben. Bij brand zou een heel huizenblok in de
fik gevlogen zijn.
Het lossen
Was de wagen binnen, dan klom een vlugge figuur op het voer hooi, terwijl
anderen de touwen losmaakten en de weesboom aanpakten. Dan was het noodzaak,
de volgorde van het laden omgekeerd toe te passen bij het lossen. Wie dat
niet doorhad, trok zich uit de naad. Gebruikelijk was dat de bouwmeester de
wagen laadde en ook weer loste, vaak was hij tevens de voerman. Zolang het
niveau van het hooivak lager was dan het hooi op de wagen, ging het lossen
razendsnel. Dan was het aanpoten voor de doorgevers op het hooivak om het
goed te pakken. Vrij snel was het hooivak op een hoogte, die gelijk was aan
een vol voer. dat was in onze boerderij de hoogte van de grote ankerbalk.
Hoe hoger het hooi opgetast werd, des te moeilijker werd het ontladen van de
hooiwagen. Het opsteken van een steeds lager niveau werd zwaarder. Bij
grotere hoogten moest het hooi trapsgewijs omhoog worden gestoken. Daarbij
stond een man op een vlonder (bij ons het 'schavot' genoemd) boven de
ankerbalk, die het hooi verder doorgaf. De buurtjeugd zorgde er echter voor,
dat het hooiniveau niet te snel steeg. Traditiegetrouw kwamen buurtkinderen
'hooitrappen'. Ze dansten in het hooi en probeerden elkaar om te duwen. De
grootsten hielpen met het verslepen en verstouwen van het hooi. Er deden
zich weleens ongelukken voor. In de jaren veertig, sprong een zoon van de
smid op de slietenzolder, zonder dat er een laag hooi op lag. Hij viel
tussen de boomstammen door op de lemen vloer. Gelukkig werd zijn val
gebroken door een laagje hooi, dat hij in zijn val meesleepte.
Dat vork voor vork aan elkaar doorgeven tot boven toe was geen grapje.
Vooral als je bedenkt hoeveel kracht en handigheid er voor nodig was. Het
was volzomer en bovendien viel de 'hooikrok' (graszaad), rijkelijk uit
iedere opgestoken vork en dat viel in ogen en nek. Dit alles vermengd met
ruime transpiratie was geen klusje dat je lachend onderging, hoewel er niet
werd gezeurd.
Hooibouw was een zwaar karwei en bovendien was er altijd haast. Het was
werken van donker tot donker, zes dagen per week ! Men moet niet voorbijgaan
aan het feit, dat bij deze zware langdurige arbeid vrijwel altijd een beste
stemming was. Soms werkte kleine voorvalletjes ontspannend. Een gebruinde
dame van middelbare leeftijd stapte eens van haar fiets tijdens het afladen
en vroeg of de boer haar plastronnetje gevonden had. Bij het topless zonnen
was het bovenstukje van haar bikini in het hooi zoekgeraakt. Grote
hilariteit onder de mannen. Van een speld zoeken in een hooiberg hadden ze
weleens gehoord, maar wat was een plastronnetje ?
Hist. Tijdschrift voor Naarden : DE OMROEPER. OKT. 1991, JRG. 4. NR. 4.
F.J.J. de Gooijer