|
|
|
![]() |
||
01/15/03 |
|
|
In een nat grasveld kunnen in het voorjaar bruine plekken ontstaan, waarop veel vogels neerstrijken. Met hun snavels spitten ze deze plekken om. Vooral in laaggelegen grasland kwam dit vroeger veel voor, zoals in het Gooise buitendijkse gebied. Het was een ramp voor de veehouders, die toch al weiland te kort kwamen. Eeuwenlang wist men geen raad met wat men een 'wormenplaag' noemde. Pas in de 20e eeuw ging men de 'wormen' met gif bestrijden, ook probeerde men een biologische manier.
KWATWORMEN IN DE OOSTERMEENT
Waterschap de Gooische Zomerkade Aan de kuststrook ten oosten van de Huizer haven lagen tot het laatste kwart van de 20e eeuw de Maatlanden en een gedeelte van de Oostermeent. Tot het gereedkomen van de Afsluitdijk waren deze laaggelegen graslanden alleen tegen de Zuiderzee beschermd door een zomerdijk. Ze vormden het Waterschap de Gooische Zomerkade. In de winter werd dit gebied door de zee overstroomd, waardoor een kleilaagje werd afgezet. Door deze natuurlijke bemesting was de grond zeer vruchtbaar. Wel bleef in het voorjaar het land lang drassig, zodat het pas midden juni geschikt was voor agrarisch gebruik. De Maatlanden dienden hoofdzakelijk als hooiland. Alleen einde augustus (na de hooibouw) werd het opengesteld als 'naweide' voor het vee. De melk van dit vee kreeg echter een uiensmaak, tot ontevredenheid van de consumenten. Op de strook achter de zomerdijk, waar vooral zand werd afgezet, groeide namelijk kraailook (een ver familielid van de ui).
De waterhuishouding bleef ook in de zomer een probleem. In de zomerdijk waren op verschillende plaatsen sluiskleppen aangebracht waarop de sloten konden afwateren. De werking was afhankelijk van het getij van de Zuiderzee. Bij eb drukte het water in de sloot de klep open en bij vloed sloot de zee deze weer. Het systeem van deze primitieve sluisjes bleef ook de eerste jaren na het ontstaan van het IJsselmeer in gebruik. De waterafvoer werkte echter hoofdzakelijk bij aflandige wind. Het onderhoud van de kade van de Maatlanden was in handen van kademeesters. Voor de meentkade en de Meent zorgde het bestuur van de erfgooiersgemeenschap. Het lage deel van de Oostermeent lag aan de kust, het hoge deel achter de Maatlanden. Deze meent waterde gedeeltelijk af op de Gooiersgracht, maar ook op het beekje de Viersloot. Op oude kaarten is dit watertje nog herkenbaar, in latere jaren is het gekanaliseerd. De slechte ontwatering veroorzaakte regelmatig een 'wormenplaag'.
De kwatwormenplaag Eind 17e, begin 18e eeuw leefde in Huizen Lambert Rijcksz Lustigh. Deze man beschreef veel gebeurtenissen in het Gooi. Zijn geschriften zijn bewaard gebleven. In één van zijn geschriften staat: "Anno 1721 doen was alhier in 't voorjaar op onse weijde gemeente, en voornaam in de Blaricummerweijde de veltwormen soo sterck en magtigh veele, dat sij bijna al graswortelen in de grond opaten, waardoor de voorz. meent met weijnigh gras schuetkens is. Ja, op de maatlanden het selve verderf".
Dat deze 'wormenplaag' geen fabeltje was bewijst het volgende bericht uit de Gooi en Eemlander van 10 Mei 1902: "Weinige weken terug voorspelde elkeen, dat de Meent deze zomer beter zou wezen, dan zij in jaren geweest was. Bij het guurder worden en blijven van het weder, verflauwt de hoop echter al spoedig, en nu morgen het vee der Erfgooiers op het punt staat bezit te nemen van de uitgestrekte weide, nu blijkt het, dat deze slechter is dan ooit. Gehele stukken zijn, totaal kaal, doch niet het weder is hiervan de hoofdschuldige, maar een in deze streken weinig voorkomende worm, welk diertje de wortels van het gras afknaagt. Hetzelfde schadelijke beestje toonde zich ook een jaar of acht geleden, met hetzelfde gevolg. Gelukkig (?) kwam toen de zee en er bleef geen enkel meer over. Toch in deze tijd van het jaar is dit geneesmiddel al weinig beter dan de kwaal"
Uit dit krantenartikel blijkt dat na 170 jaar nog geen remedie was gevonden tegen deze plaag. Blijkbaar wist men ook niet dat 'het schadelijke beestje' een insektenlarve was. In Van Dale uit 1872 staat wel kwatworm en emelt, maar de enige verklaring is ' één der volksnamen van den engerling'.
De bestrijding der emelten Vóór de invoering van de Erfgooierswet in 1912 werden de meenten slecht beheerd. Maatregelen om de 'wormenplaag' te bestrijden werden niet genomen. Bij de Erfgooierswet werd de Vereniging Stad en Lande van Gooiland opgericht. Deze beheerde de meenten van de scharende erfgooiers. Het bestuur deed er alles aan om de kwaliteit van de weidegronden van deze veehouders te verbeteren. Voorzitter E. Luden zocht voor de meentverbetering contact met de Landbouwhogeschool. Ter bestrijding van de larven werd de Plantenziektenkundige Dienst van Wageningen ingeschakeld. De correspondentie hierover is bewaard gebleven. Allereerst werd een brochure gestuurd met de titel De bestrijding der emelten. Daarin stond onder andere: "De emelten, dat zijn pootlooze, grauwgeel gekleurde larven van de langpootmuggen, behooren tot de ernstigste beschadigers van ontginningsweiden." en verder "De emelten leven nooit langer dan één jaar in den grond. Verreweg de talrijkste soort is Tipula Paludosa mgn, waarvan de muggen in Augustus - September uitvliegen ".
Vooral de heer P.J. Schenk, Technisch Ambtenaar 1e klasse van de hogeschool, heeft veel brieven over de emeltenplaag geschreven. In mei 1923 vraagt hij of de terreinen van 'Stad en Lande' door emelten geteisterd worden. Uit het antwoord blijkt dat het niet het geval is. In 1924 en 1925 is het echter mis en volgen opgaven van bestrijdingsmiddelen. Als middel wordt opgegeven 1 kg Parijsch Groen vermengd met 25 kg zemelen per hectare. Uit een onderzoek in het laboratorium Koningh en Mooy blijkt dat het Parijsch Groen voor 55,4 % uit arsenicum bestaat. Mogelijk schrikt men hiervan, want het handmatig verspreiden levert ook gevaren op. Men gaat opzoek naar een natuurlijke bestrijding.
De spreeuw Begin maart 1925 stuurt P.J Schenk, de volgende brief naar Stad en Lande: "De laatste vorstperiode heeft het gras in zijn geheel bruin gekleurd, zoodat het vaststellen van de grootte en beschadigde plekken en de omvang van de beschadiging moeilijkheden opleverde. Vast staat echter, dat op vele plaatsen zeer veel emelten in de grond voorkomen, hetgeen aan de vale kleur van het gras reeds goed is te zien. Ook de vogels hebben dit feit geconstateerd en bij name op de Oostermeent waren duizenden Spreeuwen aan 't zoeken naar emelten. Overal vindt men gaatjes in de grond gestoken. Toch zijn nog vele emelten aanwezig ". Aansluitend aan deze brief stuurt hij een gedrukte brochure De Spreeuw. Hierin wordt het nut van de spreeuw voor de landbouw beschreven. Aan het hoofdstuk "Waarom verdient de spreeuw een betere verzorging?" is het volgende ontleend: "Er zijn drie redenen, die den Plantenziektenkundigen Dienst hebben doen besluiten een bijzondere zorg te gaan besteden aan den Spreeuw. In de eerste plaats is de vraag naar bescherming van weiden en pas in cultuur gebrachte gronden tegen de vreterij van allerlei insectenlarven, emelten, junikeverlarven en Aphodiuslarven urgent. In de tweede plaats is ons gebleken, dat het thans gebruikelijke nestkastje niet aan de verlangens van de Spreeuw voldoet. Hier en daar betrekt hij het wel, maar lang niet in die mate als dat bijvoorbeeld vroeger bij de proeven te Kootwijk. In het buitenland, met name in het Köningsmoor, aan de spoorlijn Bremen-Hamburg zijn onder leiding van Prof. Weber de Spreeuwen in groote kolonies tot broeden gebracht. En dat nog wel in nestkasten, die in groepen van 30 a 36 stuks (per 10 ha) bijeen aan houten stellages zijn geslagen. (een tekening van een dergelijke stellage staat achter in de brochure) Deze stellages staan op afstanden van ongeveer 500 m onbeschut in het open veld. Ze worden voor verreweg het grootste deel bewoond".
Stellages op de Oostermeent Stad en Lande nam het idee uit Köningsmoor over en plaatste vier gelijksoortige stellages op de Oostermeent. Ze bestonden ieder uit drie staande ruwe boomstammen met diagonale stammen als versterking. Boven, op 3,40 m hoogte, stonden 34 nestkastjes. P.J. Schenk stuurde in mei 1926 hiervan een foto. Jarenlang bleef hij contact houden over dit project, vooral met de hoofdopzichter Herman Hz. de Gooijer. Deze moest hem de resultaten melden, zoals in juni 1927. Het uitvoerige rapport bevatte een tabel met de inhoud van elk kastje. Een samenvatting van dit onderzoek:
Stellage Eieren Jongen Nesten Niets A --- 25 24 5 B 19 --- 18 10 C 6 10 18 14 D --- 7 3 29 ------------------------------------------------------ Totaal 25 42 63 58
Verdere rapporten ontbreken. Naast de emeltenbestrijding door de spreeuwen, werd ook nog steeds Parijsch Groen toegepast. Het was nota bene schadelijk voor de vogels, maar nergens werd vermeld of er sprake was van dode spreeuwen. P.J. Schenk bleef het project in de gaten houden en stuurde hierover regelmatig brieven. Juni 1935: "Er werden opmerkelijk veel dotten doode emelten bijeen gevonden, die waarschijnlijk door vogels waren uitgespugt". December 1936 : " de stellages op de Oostermeent in vervallen toestand zijn geraakt en eerlang vernieuwing eischen." Januari 1937 : "Gelieve prijsopgave 102 nestkasten". "Bij 100 stuks 85 cent per stuk voor spreeuwen". Stad en Lande antwoordt februari 1937: "Er wordt geen gebruik gemaakt van aanbieding nestkastjes"
De emeltenplaag verminderde na de ruilverkaveling van 1937, waardoor een betere afwatering mogelijk werd. Hierna vervielen de stellages, het laatst zijn ze gezien omstreeks 1940. Wel zijn er nog afbeeldingen van in enkele boeken. Vreemd genoeg wordt in de correspondentie nooit gerept van de meeuwen op de Oostermeent. Als er een zwerm opdook, zeiden de Blaricumse boeren gekscherend: "De burgemeester van Marken heeft weer zijn duiven losgelaten". Misschien toonden deze zeemeeuwen geen belanstelling voor de larven. In de weilanden aan de Googweg te Muiderberg maakten de meeuwen wel jacht op de emelten.
_______________________
Bronnen:
Archief 'Stad en Lande' Meenten Doos 364 Ziekte in grasgewas.
Gooi en Eemlander 10 mei 1902
Gooijer, F.J.J. de. 1996 De Gooise Zomerkade en de Maatlanden. Tussen Vecht en Eem jrg. 14 (4), 204/208.
Jonkers, D.A.; Kole, R.A. & Taapken (red.) 1987. Vogels tussen Vecht en Eem. Vogelwerkgroep Het Gooi en omstreken, Hilversum. 331-333.
Kroniek Lambert Rijcksz Lustigh (1654-1727). Rijks Archief Haarlem 279. inv. nr. 1527 A
Plantenziektekundige Dienst Wageningen. 1925. De Spreeuw. Verslag en Mededelingen van de Plantenziektekundige Diemnst, Wageningen No. 38.
Polak, H. Tusschen Vecht, Eem en Zee. N.V. Dagblad De Gooi en Eemlander, Hilversum 1935
Rapport betreffende de ruilverkaveling van gronden genaamd "de Buitendijken" gelegen in de gemeenten Naarden en Muiden. (25.08.1937)
___________________________
Afbeeldingen : Tekening van Stellage van Toon de Jong (uit boek H. Polak) met onderschrift: Huizen: Vogelbroedplaatsen op de Gooische Oostermeent. [Deze tekening geniet de voorkeur. Deze is scherp en duidelijk, ook bij een verkleining.]
Foto: Stellage op de Oostermeent gemaakt in 1926 door P.J. Schenk. (In Stad en Lande Archief)
Foto: Stellage met boven de nestkasten een man. Boek van de Vogelwerkgroep.
Lijst met opgave van de inhoud van de nestkasten. (Stad en Lande Archief)
Kaartje van de Oostermeent en de Maatlanden. Gebruik maken van 'Krijgsspelkaart van Amersfoort en omgeving 1910-1913 blad 8 en 9. Schaal 1 : 10.000. Uitgave Stichting Vijverberg Naarden. Hierop staat de loop van de Viersloot juist aangegeven. Onderschrift: De Oostermeent was gemeenschappelijk eigendom van de erfgooiers. De Maatlanden bestonden uit honderden percelen met verschillende eigenaren.
_________________________
Kwatwormen in de Oostermeent Vrienden van ‘t Gooi
-
|
This site was last updated 01/15/03