|
|
|
![]() |
||
12/06/03 |
|
|
KADASTERKAART BLARICUM UIT CA. 1832.
Invoering kadaster De invoering van een perceelsgewijs kadaster is een gevolg van de inlijving in 1810 van Nederland bij het Franse Keizerrijk. In 1811 werd begonnen met de werkzaamheden. Na de herkrijging van de onafhankelijkheid heeft men het 'Recuil Methodique' gehandhaafd. De snelheid, waarmee de kadastrale metingen werden verricht, was echter van dien aard, dat er in verschillende wetsartikelen, Koninklijke Besluiten en circulaires aangedrongen werd op wat meer voortvarendheid. Toch duurde het 20 jaar voordat men met de metingen klaar was. De gang van zaken was als volgt: Men begon met het gehele land op te meten en in kaart te brengen. alle huizen, erven, wegen, wateren en landerijen werden na meting getekend op papier van 67 x 100 cm. Zo ontstond de kadastrale kaart, ook wel kadastraal plan genoemd. De verschillende op de kaart afgebeelde stukken grond (al dan niet met gebouwen erop), de zgn. percelen, heeft men een nummer gegeven dat op de kaart midden in het perceel is getekend. Op de kaart is de begrenzing van een perceel aangegeven door een ononderbroken lijn. Ook gebouwen en wateren zijn op de kaart voorgesteld. Behoort een gebouw tot het perceel binnen welks omtrek het is getekend, dan is er een pijltje doorheen gestippeld. De opmeting is per gemeente geschied. Daar de meeste gemeenten te groot zijn om op leesbare schaal op een kaartblad voorgesteld te worden, is een gemeente onder-verdeeld in secties, die men aanduid met de hoofdletters A, B, C, enz. In iedere sectie is men bij het nummeren van de percelen met nr. 1 begonnen. De kadastrale kaarten zijn niet alle op dezelfde schaal getekend. Voor dichtbebouwde gedeelten (steden en dorpskommen) is de schaal 1 : 1250 gebruikt, landelijk gebied met verspreide bebouwing is voorgesteld op schaal 1 : 2500. (1)
Gemeente Blaricum, Sectie B Blaricum werd verdeeld in de secties A, B en C. De dorpskern en het gebied tussen de grens met Laren en Eemnes vielen onder sectie B. Daar Blaricum behoorde tot landelijk gebied, werd deze sectie op schaal 1 : 2500 getekend. De opmeting was geschied door de 'Landmeter van de Eerste Klasse' S.J. Nautz. Op bijgaande foto (2) is te zien hoe de sectie B is uitgevoerd. Bij de indeling van de tekening is men uitgegaan van de Gooiersgracht, die de grens vormt tussen 't Gooi en 't Sticht. De richting van de gracht is ca. 25,5 graden oostelijk ten opzichte van het noorden. Op de kaart is echter de gracht evenwijdig met de onderrand getekend, terwijl geheel links de grens van Laren deze provinciegrens snijdt onder een hoek van ca. 64 graden. Ter oriëntering is de kaart voorzien van een rasterwerk van dunne lijnen, die noord/zuid en oost/west lopen. De hierdoor gevormde vierkanten zijn 100 x 100 mm. (op ware grootte 250 x 250 m) Als uitgangspunt voor het rasterwerk is de toren van de Hervormde kerk gekozen, de oost/westlijn loopt door het schip van de kerk. De grens met Laren bestaat uit een rechte lijn, die vanuit de Gooiersgracht is getrokken door het heideveld. Aan de bovenzijde van de kaart (het noordwesten) ligt de scheidslijn met sectie A, genaamd 'Den Engh'. Deze wordt gevormd door de Laarderweg (nu Torenlaan genaamd) en Bergweg. In de rechterbovenhoek ligt tegen sectie A de 'bebouwde kom'. Hier liggen de meeste boerderijen van het dorp. Deze bebouwde kom wordt noordwestelijk begrensd door de Bergweg, terwijl de ondergrens gevormd wordt door de Melkstraat (nu Franse Pad). Bergweg en Melkstraat lopen praktisch evenwijdig in noordoostelijke richting. De daartussen gelegen boerderijen zijn met hun lengteas eveneens (min of meer) ZW-NO gebouwd. Bij de meest voorkomende windrichting staat dus de grote rieten kap in de luwte en wordt kapot waaien voorkomen. Rond de boerderijen liggen erven en tuinen. Ook staan vaak de hooibergen aangeven, sommige zijn vierkant en andere vijf- of zeshoekig. Noordoostelijk ligt de scheidslijn met sectie C, genaamd 'Meend en Maatlanden'. Op enkele kleine perceeltjes na, ontbreekt in sectie B het weiland, alleen in de Bouwvenen liggen enkele weidepercelen. Langs de grens met Laren liggen grote heidevelden. De heide is gescheiden van het bouwland door percelen bos en hakhout. Het bouwland ligt rond de bebouwde kom en in de Bouwvenen. Hier en daar ligt ter afscheiding tussen de wegen en het bouwland een houtwal.
Duidelijkheid in de grensafbakening Voordat de werkzaamheden aan het kadaster begonnen, moesten er eerst duidelijke gemeentegrenzen worden vastgelegd. Uit een 'Proces-verbaal der Grensbepaling' blijkt hoe men te werk ging. (3) In Augustus 1824 ging 'den Heer Controleur van de Eerste Klasse, bij het kadaster' op pad samen met de landmeter Nautz. Zij werden vergezeld door de gemeentebesturen van de Gooise gemeenten. Er moesten samen heel wat problemen worden opgelost. Waar moest bijvoorbeeld de grens komen op de heide tussen Blaricum en Laren ? Bovendien bevonden zich tot 1817 in Blaricum enkele exclaves, die onder de Ban (rechtsgebied) van Naarden, Huizen en Laren behoorden. Sommige exclaves lagen in de Maatlanden, zoals het Naarder- en Laarder Angeregt. Anderen lagen in de Bouwvenen, (4) dat waren de gronden rond het voormalige Slot Ruys-dael en Capits Hofstede. Ruysdael viel onder de jurisdictie van Naarden evenals een deel van de Capitten, het overige deel kwam aan Laren toe. Hoe ingewikkeld dit juridisch was, blijkt uit de verkoop in 1724 van het Capittenbos, groot 5042 roe (ca. 6 ha). 3200 Roe was gelegen in de Naarder Ban en 1842 roe onder de Laarder Ban. Genoemde percelen stonden tot 1806 geregistreerd in het Verpondingskohier van respectievelijk Naarden en Laren. Het daartussen gelegen Stachouwersveld stond daarentegen wel in het Verpondingskohier van Blaricum. Tussen 1817 en 1824 werden de exclaves bij Blaricum gevoegd. Blaricum stond in ruil daarvoor een deel van de Maatlanden af aan Huizen. Naarden ruilde met Huizen vruchtbaar hooiland in de Maatlanden voor een groter oppervlak bos en woeste grond. Dit gebied bestond uit de omgeving van de Brediusweg en uit de landerijen van Oud Bussum. De ruil vond plaats op basis van de opbrengst van de grondbelasting. Ook andere Gooise gemeenten ruilden onderling grond. Het is een raadsel hoe het verliep met de afbakening van de landbouwpercelen in de Eng van het dorp. In de Oud-rechtelijke archieven van de 17e en 18e eeuw stonden soms klachten over buren die door aanploegen hun perceel stiekem vergroten. Ook met scheistenen werd geknoeid door deze te verplaatsen. Het grootste probleem zullen wel de gronden hebben opgeleverd, die na een erfenis onverdeeld waren gebleven. In het kadaster van 1832 kwamen 22 onverdeelde boedels voor. Na de nauwkeurige meting kon niet meer ongecontroleerd geknoeid worden. Alleen is het de vraag welke vaste markeringspunten in het terrein door de landmeter destijds werden aangebracht.
Boerderijen en huizen De moeilijkste klus bij het landmeten moet wel de dorpskern zijn geweest. Huizen, omgeven door erven en tuinen, liggen kriskras door elkaar. Daar tussen kronkelende en onverharde zandpaden. Waarlijk een nachtmerrie voor een landmeter. Op de kadasterkaart van sectie B staan 106 percelen met daarop een gebouw getekend, waaronder de Hervormde kerk, de school en de molen. De overige bebouwde percelen staan in de 'Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel' (OAT) omschreven als: 'huis en erf'. Soms is 'en schuur' toegevoegd, echter nooit een hooiberg. Ook de functie van een huis, zoals boerderij, ontbreekt. Wel is beschreven de naam van de eigenaar en het beroep. Het aantal eigen huis bezitters in het Blaricum van 1832 blijkt zeer groot te zijn. Op de 103 huizen of boerderijen zijn er 86 eigenaren. Het is aannemelijk dat er sprake is van een boerderij bij de volgende voorkomende beroepen: bouwman, bouwvrouw, landbouwer, veehouder of veehoudster. Het totaal van deze agrarische beroepen in sectie B is 40. Er worden echter ook weduwen, wezen en andere erfgenamen genoemd zonder beroep. Of hun bezit een boerderij betreft is niet duidelijk op te maken uit de OAT. Wel is het na te gaan op de kadasterkaart. Groot ingetekende huizen, al dan niet met een hooiberg, zijn duidelijk boerderijen. In ca. 49 van de gevallen blijkt dit zo te zijn. De overige opgegeven beroepen met hun aantal zijn: arbeiders 7; bakkers 2; fabrikant 1; kastelijn 1; kledermaker 1; onderwijzer 1; schoenmaker 2; schout 1; smid 1; spinster 1; timmerman 1 en wever 1. Tussen 1832 en nu is er veel veranderd in Blaricum. De kronkelige wegen zijn gebleven, evenals veel oude boerderijen. Boerenbedrijven zijn echter, op een enkele uitzondering na, verdwenen. ________________________________
NOTEN: 1) KADASTERGIDS. Mr. F. Kevering Buisman en ir. Muller. 's-Gravenhage 1979. 2) BLARICUM SECTIE B, CA. 1824. Foto: Collectie De Vaart, inv.no. G 26. 3) PROCESVERBAAL DER GRENSREGELING VAN NAARDEN 1824. Stadsarchief Naarden OAN 127.6. 4) RAPPORT TER VEEN. IIe DEEL. Hoofdstuk IV - Historie van 't Gooi. pp. 79 t/m 100. ca. 1950.
__________________________ AFBEELDINGEN:
Kadasterkaart Blaricum, Dorp Sectie B
________________________
Kadasterkaart Blaricum uit ca. 1832 TUSSEN VECHT EN EEM, MEI 1998 Een link met oude Kadasterkaarten uit 1832 van de Gooise gemeenten:
-
|
This site was last updated 12/06/03