|
|
|
![]() |
boerderijen | |
05/25/03 |
|
|
Boerderijen in het Gooi
HALLENBOERDERIJEN IN DE DORPEN Op de arme zandgronden van het Gooi hadden de boeren vanouds de hallehuisboerderij. Een gebouw dat fundamenteel anders van opzet is dan stolp - en langhuisboerderijen. In haar opbouw doet zo’n boerderij type denken aan een hallekerk. Tussen de zuilen, hier de stijlen, bevindt zich de circa 6 m brede middenbeuk. Tussen de stijlen en de zijgevels de beide zijbeuken. Daarom wordt een dergelijke type een halleboerderij genoemd. De lengte was afhankelijk van het aantal geledingen. De gebintsafstanden waren gemiddeld 4 m, dus bij zes gebintsvakken was de lengte ongeveer 24 m. Het woongedeelte bestond meestal uit twee van deze vakken. De lengteas van het gebouw was georienteerd op de windrichting tussen zuid-westen en het noordwesten. Dat wil zeggen, dat zowel de zware zuidwester stormen alsook de koude noordooster in de lengterichting langs de rieten kap waaide en weinig vat kreeg op het riet. Bij het hallehuis lag het hooi niet inwendig opgeslagen, maar op het erf in een hooiberg. Centraal in het gebouw lag de dwars deel die via inrijdeuren was te bereiken. Hier werd een ankerbalkgebint toegepast met daarop een ‘slietenzolder’ waar de graanoogst van de akkers werd opgeslagen. De Gooise hallehuisboerderij werd gebruik voor het gemengde bedrijf , van zowel veeteelt en akkerbouw. Naast het erf lag vaak een kalver - of paardeweitje De omstandigheden waren hier vroeger te vergelijken met die in Drenthe en op de Veluwe: Voormalige heidevelden werden er met veel moeite omgezet in akkertjes waar rogge en gerst werd verbouwd. De veehouderij stond er in dienst van de akkerbouw. De bescheiden melkopbrengsten speelden nauwelijks een rol van betekenis. De akkers schreeuwden om bemesting; de veestapel werd dan ook in de eerste plaats gehouden vanwege de mest. Door de landbouw groeide de behoefte aan een efficiente bedrijfsvoering en - vooral - aan meer mest.
Indeling De indeling van de Gooise boerderij vertoont veel gelijkenis met de hallehuisboerderijen uit andere provincies. De ingang van het voorhuis bevindt zich aan de voorkant in de korte gevel; hij geeft bij oudere boerderijen toegang tot de woonkeuken. Naast de centrale keuken liggen slaapkamers, een opkamertje en een karnhuis - hoewel melk voor de boeren in het Gooi geen hoofdzaak was werd er natuurlijk wel gebruik gemaakt van de opbrengst. Woonhuis en schuur waren door een brandmuur gescheiden. Langs de muur loopt de deel dwars door de boerderij. De dwarsdeel was bereikbaar via hoge en brede deuren, de zijbaander. Ter plaatse werd het rieten dak ‘opgelicht’ , omdat de zijmuren hooguit 1,75 waren. De schuur heeft, zoals elke hallehuisschuur, drie ‘beuken’, van elkaar gescheiden door de gebintsteunders. De zijbeuken waren in gebruik als koestal - vroeger uitgevoerd als potstal. Ten opzichte van de voedergoot, stonden de koeien stonden in een verlaagd gedeelte. Door dagelijks heideplaggen en stro onder de koeien te strooien, ontstond in de stalperiode een dikke laag mest. Boven de koeien was een lage zolder, hilde genaamd. Vanaf deze ruimte werd hooi naar beneden in de voergoot gegooid. In een van de zijbeuken herinnert een groot raam vaak nog aan de periode dat in de schuur een ruimte in gebruik was als spin- en weefwerkzaamheden. Vaak had de schuur nog een gedeelte van de oude slietenzolder, waarop het ongedorste rogge werd opgeslagen.
STADSBOERDERIJEN In het vestingstadje Naarden leefden boer en burger eeuwenlang samen tot beider voordeel. De boer kon zijn produkten direct afzetten bij het garnizoen en de burgers, die zo steeds vers voedsel ter beschikking hadden. Ook fungeerde de boerderij 1), bij belegering van de Vesting, als voedselvoorraad voor het ingesloten leger en burgerij. 2) Het garnizoen maakte bij allerlei gelegenheden altijd gebruik van de vervoermiddelen van de boeren. Zowel paarden als wagens werden bij tijd en wijlen gevorderd. Zelfs het vooroorlogse Nederlandse leger (en uiteraard de bezetters) spanden de vestingboeren voor hun karretje, zelfs voor de kanonnen. 3)
Boerderijen en woonhuizen stonden pal naast elkaar. De boerderijen waren daardoor aangepast aan de rechte straten en de beschikbare ruimte. Ze verschilden sterk van de boerderijen in de omliggende dorpen, met een hooiberg op het erf en een tuin ernaast. In plaats van het brandbare riet op de Saksische boerderijen werden in Naarden de daken bedekt met dakpannen. De voorschriften dateerden uit de 17e eeuw, na de grote brand, die het westelijk deel van de Vesting grotendeels verwoest had. Tot in de 19e eeuw hadden de vestingboeren een gemengd bedrijf. De koeien stonden in potstallen en werd vooral gehouden voor de mest. 4) Dit was noodzakelijk om de zanderige akkers vruchtbaar te maken. Voordat de aardappel zijn intrede deed, verbouwde men boekweit en koren. De roggeoogst werd opgeslagen op slieten ( losse balken) boven de dorsvloer. De schoven konden daar verder drogen Iedere wintermorgen werden enkele schoven op de dorsvloer uitgespreid en de aren met de dorsvlegel bewerkt. Tijdens de hongerwinter in WO II werd deze manier van dorsen weer toegepast, omdat dorsmachines ontbraken.
Begin 20e eeuw werd in Naarden de potstal vervangen door de schone groepstal. Vanaf die tijd woonden binnen de wallen hoofdzakelijk veehouders , die tevens ’melkboer’ waren. Melk werd ook geleverd aan het vooroorlogse garnizoen, de levering geschiedde na inschrijving. In 1945 waren er nog 17 boerenbedrijven binnen de vestingwallen. Van deze veehouders waren er 7 niet van oorspronkelijke Gooise families afkomstig. ( Bijvoorbeeld de veehouders Linck waren van Duitse afkomst) De andere 10 waren scharende erfgooiers, die verenigd waren in de ’Vereniging van Stad en Lande van Gooiland’. Ze hadden het schaarrecht om hun ’schaar’ vee te laten grazen op de Naarder Meent en het Ondersloot. Nog in de 19e eeuw was de schaardag op de 1 mei volgens de 16e eeuwse tijdrekening, dat wil zeggende op 12 mei volgens de huidige kalender. 5) In de 20e eeuw werd de schaardag afhankelijk gemaakt van de toestand van het grasgewas, wat neer kwam op omstreeks de 1e mei. In de Gooise dorpen bepaalde deze datum ook de trouwdatum van de jonggehuwden. Praktisch alle jonge katholieke erfgooiers (alleen de dorpelingen van Huizen waren overwegend Hervormd) trouwden na het Paasfeest en voor de 12 mei. (tijdens de vastenperiode werd normaal nooit katholiek getrouwd ). De jonggehuwden konden dan gebruik maken van hun recht om goedkoop wat koeien te houden, van de opbrengst konden ze dan de winter doorkomen. 6) In de winter vormde de mest en de gier een probleem. Veel mocht en kon niet opgeslagen worden op het boerenerf. Bij ijzel en strenge vorst moest de mest weggereden worden in wagens met gladde ijzeren ’banden’. Ook het paard kon uitglijden en werd daarom ’op scherp gezet’. In de hoefijzers zaten tapgaten, waarin stalen pinnen werden gedraaid. De mest ging gedeeltelijk naar een gepacht akkertje, de grootste afnemers waren de groente- en boomkwekerijen. Naarden had oorspronkelijk een verzorgingsfunctie voor de omgeving, daarom waren er winkels en bedrijven. De vestingboerderijen behoorden tot de voedselleveranciers. Ze waren zichtbaar en ruikbaar aanwezig. (er werd zelden over geklaagd) Het leven en werken op die boerderijen maakte ook deel uit van de tradities van generaties Naardense jeugd. Naardense meisjes en jongens hebben jaarlijks tijdens de hooibouw deelgenomen aan het hooitrappen. Ongeveer 50 voer hooi werd in een maand tijd per boerderij ondergebracht. De buurtjeugd, ieder had wel een ’eigen’ boerderij om de hoek, kwam tijdens het lossen van het hooi opdagen. De kleinsten dansten en sprongen rond op de hooiklamp, de groteren stouwden het hooi in alle hoeken en gaten. Hiermee voorkwam de boer dat de hooiklamp te snel steeg en de hooischuur te vol raakte. Thuis kreeg de jeugd op z ‘n kop, omdat ze onder de hooikrok (graszaad) zaten. Bij het eieren rapen liepen ze weleens kippeluis op, dat kon flink jeuken.
Was de hooiwagen leeg, dan vochten de jongens om het paard naar de wei te brengen. Vaak werd het een dolle rit op ’het losse paard’ in wat ze noemden de viervoet. (galop) . Hoeveel jongens zijn er niet iedere meimaand bij geweest tijdens het naar de wei brengen van de koeien. Eerst keken ze toe, hoe de bullenboer (meentbeambte) een houtvuurtje maakte op het boerenerf. De brandijzers werden gloeiend gemaakt en het vee werd gemerkt. Het nummer van de erfgooier werd ingebrand , bij de koeien in de horens, bij de paarden in de hoef. De inwoners van de Vesting behoorden tot verschillende geloofsrichtingen. De jeugd gedroeg zich niet verzuild en kwam naar ’zijn’ buurtboerderij. Voordat de koeien uit de stal gehaald werden volgde bij katholieke boeren eerst nog een ritueel. De boerin zegende het vee met een palmtakje dat gedoopt werd in wijwater. Ook dat hoorde er bij. Daarna werden de koeien een voor een van stal gehaald en op het erf verzameld. Vervolgens werden ze en masse en los door de vestingstraten naar de Meent gedreven. De jongens stonden dan, gewapend met een dikke stok, bij iedere straathoek of steeg. Vooral de jonge pinken konden nogal wild zijn. Buiten de Amsterdamse Poort hoefde niemand meer in te grijpen, de koeien roken de wei renden als dollen in die richting van de meent. Tijdens het weideseizoen gingen veel jongens mee met ’hun’ boer naar de Naarder Meent. Daar hielpen zij door de koeien op te halen en naar de melkplek te brengen. Op zich een hele kunst en toer, want de Meent was een grote grasvlakte met enkele sloten, waarover hier en daar een gladde balk lag. Bovendien liepen de koeien van alle erfgooiers door elkaar. (niet alleen uit de Vesting) Alleen aan de tekening op de huid waren de koeien uit de verte te herkennen. De meeste koeien kwamen met melktijd wel opdagen, maar als een koe tochtig (paringsdrang) was ging ze zwerven. Zo’n koe kon afgedwaald zijn tot het uiterste westen (buurt IJsselmeerweg) of het uiterste oosten (Speeltuin Valkeveen). De beide uitersten lagen ongeveer 2.5 km uit elkaar. In de jaren dertig liep het vee via het Zuiderzeestrand langs het Fort Ronduit heen en weer. Hieraan is de naam Koeienzee ontleend. Zelfs hoogbejaarde Naarders halen nog weleens jeugdherinneringen op aan hun aanwezigheid bij de vestingboeren. Een vestingboerderij was een slapende vulkaan. Iedere donkere wintermorgen ging de boer met een stormlantaarn (petroleumlamp) de koeien hooi voeren. Ook kon een boerderij in brand vliegen door hooibroei en een hele wijk in de as leggen. Door de lucht dwarrelende brandende hooislierten konden op grote afstand brand veroorzaken. Gelukkig kwam het maar een enkele keer voor, maar dan was het wel raak. In 1904 brandde de boerderij van de weduwe Aaltje Krijnen-de Gooijer af. (Gansoordstr. 15). Berucht is ook de boerderijbrand van 1929 bij Jacob Krijnen in de Beiert De laatste flinke brand vond plaats in 1940 in de boerderij van Aart Keijer. Deze stond op de hoek Vitusstraat / Westwalstraat. Gelukkig was de brandweer ook preventief bezig. Met een lang steekijzer aan het einde voorzien van een thermometer, kwamen ze regelmatig bij de boeren langs. Het was een ramp als zo’n hooischuur leeggehaald moest worden en het hooi op straat uitgespreid. Gelukkig wisselden de boeren bij het opslaan het gortdroge hooi van de wallen af, met het vochtige zware (voedzame) hooi uit de Buitendijken bij Muiderberg.
Wie nu een vestingboerderij in bedrijf wil vinden, zal tevergeefs zoeken. Het laatste overgebleven bedrijf (Bussummerstr. 27, 29, 31) van H.W. de Gooijer (begonnen in 1927) moest in 1967 stoppen op last van burgemeester Cramer. Deze 17e eeuwse boerderij is afgebroken, om plaats te maken voor een rijtje nieuwbouwwoningen. Een dicht bebouwde kom verdraagt nu geen veehouderij meer. Wat nog rest zijn tot woningen omgebouwde boerderijen. Enkele ervan zijn van buiten nog herkenbaar. De boeren, waaronder vele erfgooiers, zijn eruit verdwenen.
Noten;
1 ] Stadsboerderijen is eigenlijk de juiste benaming. Nu echter in de Naardense woningadvertenties staat ’vestingpand’ of ‘vestinghuis’ , lijkt ook het begrip vestingboerderij geschikt.
2] Het zijn echter vooral de Franse troepen geweest, die tijdens het beleg in 1672 en 1813 van de voedselvoorraad hebben geprofiteerd.
3 ] Hoewel de boerenzoon Herman de Gooijer uit de Pijlstraat 12 nog geen militair was, moest hij bij het begin van WO I in 1914 met eigen paardetractie kanonnen wegbrengen naar Utrecht. Einde WO II stal de Duitse wehrmacht zijn paard, net als bij de overige boeren.
4 ] In een potstal staat een koe op haar eigen mest. In het begin van de stalperiode stond ze in een kuil, die steeds verder gevuld werd met een nieuwe laag heiplaggen. Steeds steeg dus de mestbodem. Bij een moderne groepstal komt de mest in een goot achter de koe.
5) Omstreeks 1580 werd in het Gooi de eeuwenoude Juliaanse kalender vervangen door de huidige Gregoriaanse. (In de USSR pas in 1918) Nog in de 19e eeuw hielden de erfgooiers vast aan de 1e mei volgens de tijdrekening van voor 1580.
6) Het schaarrecht, recht om vee te laten weiden, werd hoofdzakelijk toegewezen aan gehuwde echtparen. Een erfgooiers weduwe mocht blijven scharen, maar dat noemde men ‘bij de gunst’. ------------------------------------------------------------------- Verklaring bij lijst en kaartje
1 ] Iedere letter geeft ongeveer de plaats aan waar een stadsboerderij (of een gedeelte) staat of stond in 1945 en/of 1915.
2 ] Dik gedrukt adres betekent; Nog besaand gebouw. Het kan zowel een woonboederij, woonhuis of schuur zijn.
3 ] Huisnummers, b.v. (33) dateren uit 1945, mar het pand uit die tijd bestaat niet meer.
4 ] Huisnummers, b.v. (175) zijn overgenomen uit de adreslijst van 1915. Het betrof veehouders.
5 ] Sommige straatnamen uit 1915 zijn in 1918 vervallen : Bergstraat; Gijgelstraat; Korte Pijlstraat; 2e Marktstraat; Oosteindestraat; Schipperstraat.
VHNOU1L.BRD De Omroeper Dec. 2001, jrg. 14, nr. 4 blz. 129/141
Recensie in EIGEN PERK , Historische Kring Hilversum, door Meyl van Aalst
HET JAAR VAN DE BOERDERIJ IN TUSSEN VECHT EN EEM
De lente van het Jaar van de Boerderij is aangebroken en dus is het eerste nummer van ‘Tussen Vecht en Eem’ meteen een extra dik themanummer en in zijn geheel aan het boerenbedrijf gewijd. Zeven auteurs gaan in op verschillende aspecten van het boerenbedrijf in het Gooi en de Vechtstreek; zelfs het archiefnieuws van de archivaris van Weesp heeft betrekking op de land en tuinbouw. De reeks artikelen wordt begonnen met een overzicht van de verschillende types boerderijen in Nederland: de Fries huisgroep met stolp en de kop-hals-rompboerderij, de hallehuisgroep, die we in tal van variaties hier in het Gooi kunnen bekijken en de een-beukige huisgroep, waar de boerderijen-met-binnenplaats in Zuid-Limburg toe behoren. Duidelijk blijkt dat er geen kenmerkend ‘Nederlands’ boerderijtype bestaat. Genoemd worden ook de belangrijkste kenmerken van de Nederlandse boerderij; in bijna heel Nederland bestaat de boerderij uit een multifunctioneel gebouw. Het hele boerenbedrijf, wonen, werken, stalling en opslag, alles speelt zich af onder een dak. Belangrijk is ook de constructie van het gebouw. Omdat de basis van de traditionele bouw, die van de houtskeletbouw was, werd dat ene dak gedragen door reeksen gebinten en niet door muren. De beperkingen die deze wijze van bouwen oplegde, betekenden dat de functionele indeling de vorm volgde en niet andersom. De vestingboeren in Naarden leefden in hun eigen stadse variatie op de hallehuisboerderij en hadden te kampen met allerlei typische ‘stadse’ problemen als ruimtegebrek (wat te doen met al je hooi) , snelverkeer (de Gooise Moordenaar versus je hooiwagen0 en de afstand tussen de boerderij en het land. Het artikel geeft een uitgebreide beschrijving van het leven en het werk van de boeren en hun plaats in de stad, met nadruk op hun invloed op de stadskinderen, die hielpen met de leukste klusjes. Zij hielpen met de hooiopslag en genoten van de Wildwest-taferelen als het vee door de straten werd gedreven. Het dagelijks leven wordt met veel nostalgisch gevoel voor detail beschreven en vooral bij de oorlogsjaren wordt uitgebreid stilgestaan. Bijzonder is de gedetailleerde beschrijving van de bewonersgeschiedenis van twee vestingboerderijen en de levensbeschrijvingen van de families die ze bewoonden. Ook is er als bijlage een beschrijving van de gebouwen zelf, met foto's’en plattegronden. Het boerderijproject van de stichting Tussen Vecht en Eem richtte zich op de inventarisatie van de boerderijen gebouwd tot 1940 in deze streek. Het vormt daarmee een belangrijke aanvulling op het provinciale inventarisatieproject dat zich uitsluitend bezig hield met de stolpboerderijen. Wat blijkt? Op drie stolpboerderijen in Weesp na is het kenmerkende type voor ons deel van Noord-Holland het hallehuis in allerlei variaties, zoals blijkt uit het mooie overzicht met foto’s en ansichten van de boerderijen. Het project heeft gezorgd voor een verdere bewustwording van de geschiedenis maar ook van de kwetsbaarheid van de boerderijen, mede door de verdwijning van hun oorspronkelijke functie. Aan een van de bases van de kolonisatie van de Horstermeerpolder lag een bijzonder samenwerkingsverband. Frederik van Eeden als kapitaalkrachtige maatschappijhervormer leverde de middelen en een groep Friese comministische/socialistische landarbeiders bracht hun arbeid in. Deze laatsten vormden met hun gezinnen de kolonisten in Van Eedens kolonie ‘Nieuwe Harmonie’, waar zij op coöperatieve basis werkten. Dit experiment mislukte al na een paar jaar, maar veel van de Friezen bleven en ontwikkelden zich tot zelfstandige boeren. Het leven in de polder was bepaald niet makkelijk, het duurde vele jaren voor de problemen met het kwelwater waren opgelost en er ook maar de eenvoudigste voorzieningen kwamen. Het artikel geeft een uitgebreide beschrijving van de Friese families en het gemeenschapsleven in de ‘rode polder’ in de eerste decennia van de twintigste eeuw, waarin de polder zich ontwikkelde tot een voor het Gooi belangrijk tuinbouwgebied. Het artikel van Koning is een taalkundig gemoderniseerde versie van een artikel, verschenen in 1917 in het tijdschrift ‘Neerlands Welvaart’. Het bevat een beschrijving van de modelboerderij ‘Oud-Bussem’. Dit bedrijf was zo’n vijftien jaar daarvoor opgericht om te voorzien in de behoefte aan rauwe (onbewerkte) melk, beschouwd als gezonder dan melk die gepasteuriseerd of gesteriliseerd was. Een probleem was echter de bepaald niet hygiënische omstandigheden waaronder de koeien gehouden en gemolken werden. Ziekten als tyfus en tbc lagen dan ook voortdurend op de loer. Tot in details wordt beschreven hoe en waarmee de melk allemaal besmet kon raken; je leert meer over de melkproductie in het eerste decennium van de twintigste eeuw dan je ooit hebt willen weten! Op ‘Oud-Bussem’ nu liet men zien hoe het ook kon. In een prachtig nieuw gebouw van architect De Bazel werden de koeien onder steng hygiënische omstandigheden gehouden om de melk vrij te houden van ziekten en verontreinigingen. Het artikel is dus een – zij het zeer leerzame – curieuze reclameboodschap voor het bedrijf. In Laren worden boerderijen bedreigd sinds de ontdekking van het dorp aan het eind van de negentiende eeuw. Ironisch genoeg zorgde de romantische kijk op het boerenleven van de kunstenaars-ontdekkers voor een onomkeerbare verandering van het aanzicht van het dorp. Steeds meer mensen wensten op gemakkelijke afstand van de stad op het platteland te wonen. Dus werden de open plekken volgebouwd en boerderijen gesloopt om plaats te maken voor huizen en winkels. Weliswaar werd het aanzicht van het dorp tegen de grootste uitwassen beschermd door de instelling van een schoonheidcommissie, maar pas in de jaren zestig konden panden tegen sloop beschermd worden door ze aan te wijzen als rijksmonument. Behalve door sloop, worden oude boerderijen tegenwoordig vooral bedreigd door de aanpassingen die gedaan worden om ze geschikt te maken voor moderne bewoning. Extra ramen, dakkapellen, maar ook sloop en herbouw met het oog op nieuw gebruik, zorgen ervoor dat weinig van de oorspronkelijke bouwkundige waarde bewaard blijft. Terecht wijst de auteur dan ook op het gevaar van de ‘disneyficering’ van Laren; voor de bezoeker wordt kunstmatig dat zelfde romantische idee over het oorspronkelijke boerenleven in stand gehouden. In het artikel van Anetta van der Hulst wordt nu eens de geschiedenis van het boerendorp (in plaats van het vissersdorp) Huizen beschreven. Tot in de negentiende eeuw was het boerenbedrijf in Huizen het belangrijkste middel van bestaan. Men boerde op arme zandgrond en had het dus niet breed. Huizen heeft zijn eigen variant van het hallehuis waarin men woonde en werkte. Omdat men gewend was in deze stijl te bouwen , kwamen de vissers in dezelfde langgerekte huizen te wonen. De nadruk ligt hier op het boerenbedrijf in de twintigste eeuw, ook omdat enkele interviews aan de basis van het artikel hebben gestaan. De citaten uit deze interviews verrijken de boeiende beschrijving van het karige en zware boerenbestaan, dat in Huizen nu bijna verleden tijd is. Ida Kemperman van het archief in Weesp beschrijft tenslotte de verkrijging van de archieven van een aantal regionale land- en tuinbouworganisaties, archieven die een groot deel van de twintigste eeuw beslaan. Ze geven een uitstekend beeld van de veranderingen die het boerenbedrijf de laatste zestig jaar in onze streek heeft ondergaan. Van het uitknijpen van mee-eters bij pinken tot enquêteurs belaagd door hofhonden en van sneeuw op het beddengoed tot 'dysneyficering; het is duidelijk dat dit dubbele themanummer van ‘Tussen Vecht en Eem’ een lezenswaardige en belangrijke aanvulling vormt op verschillende aspecten van de landbouwgeschiedenis van onze streek. Meyl van Aalst
Tussen Vecht en Eem, jrg. 21, nr. 1-2 mei 2003 Inhoud: 3 Chris Hofkamp, burgemeester Weesp. Voorwoord.
4 Programma Open Dag TVE . Zaterdag 17 mei 2003 te Weesp
5 Ingeborg Laarakkers. Fries, hallehuis of eenbeukig ? Over de typologie van een boerderij
11 Frans de Gooijer. Stadsboerderijen in de Vesting Naarden
34 Henk Michielse. Burgers, boeren en buitenlui op zoek naar oude boerderijen. Het boerderijproject van TVE
45 Johan Frieswijk. Friese kolonisten in de Horstermeerpolder.
55 C.J. Koning. De “Hofstede Oud-Bussem”
79 Karel Loeff. De boerderij behouden? Het bouwkundig erfgoed van de Larense agrariër en veranderde maatschappij.
87 Anetta van der Hulst. ‘Op het slechtste stukkie op Gods aardbodem zitten wij te boeren’ Boeren in Huizen.
99 Ida Kemperman. Archiefnieuws: Melkprijzen, quota, groengebied. De archieven van land- tuinbouworganisaties in de Vechtstreek.
105 Activiteiten Jaar van de Boerderij 2003
25.07.2001
|
This site was last updated 05/25/03